The Cosmopolitan
ensemble Leones o.l.v. Marc Lewon
Christophorus
Vechtpartijen, seks, vreemdgaan - de liederen van de eenogige Oswald von Wolkenstein (rond 1376-1445) zijn ermee doorspekt. Maar er is meer te melden over de man uit Zuid-Tirol.
Naast de talrijke bezoeken aan Hübschlerinnen, zoals de pleziermeisjes in zijn regio werden genoemd, was hij actief als diplomaat, dichter en koninklijk adviseur. Zijn naam duikt op in meer dan honderd documenten, onder meer als bestormer van Ceutas, dat hij beschrijft als 'wunnikliches paradis' van Noord-Afrika. De wonderen die hij op zijn reizen ontmoet, zijn in zijn composities terug te horen.
Uit de overgeleverde handschriften heeft Marc Lewon, artistiek leider van Ensemble Leones, een greep gedaan die laat horen hoe veelkleurig die invloeden zijn. Begeleid door een luit, harp, fluit, draailier, ratel en koehoorn brengen de zangers van het ensemble ons iets dichter bij de tijd waarin de Renaissance doorbrak.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 21 juni 2014
woensdag 21 mei 2014
donderdag 27 maart 2014
Verglijdende microtonen scheppen een desoriënterende sfeer
Germanus, Jeths, Fitkin, Rossi, Nancarrow, Volans. Calefax
Rietkwintet. Licht: Floriaan Ganzevoort. Amsterdam, Concertgebouw, 24/3.
Calefax Rietkwintet
Wijd uit elkaar staan de leden van het Calefax Rietkwintet
op het podium van het Concertgebouw. Het is donker in de Kleine Zaal. Als basklarinettist
Jelte Althuis een korte, losse noot speelt, schijnt er een goed getimede felle
spot op Olivier Boekhoorn, de hoboïst die een eindje verderop staat. Althuis
kijkt verward om zich heen, maar er is niks mis. Het gaat over desoriëntatie
tijdens dit strak ritmische pingpongspel tussen de lichtman Floriaan Ganzevoort
en de vijf blazers.
Die kiezen een nieuwe positie en de muziek verandert, krijgt
het karakter van een cabaret in de jaren twintig van de vorige eeuw, maar de
tonen zijn vertekend als de figuren op een schilderij van Salvador Dalì. Ze
glijden weg van de vertrouwde, vast omlijnde klanken en het licht komt ineens
van beneden, van warmgeel flakkerende gloeilampen.
Nur für Verrückte, Alleen voor gekken, noemde Sander
Germanus zijn nieuwe compositie voor rietkwintet, recording en spotlights. ‘Toegang
kost je je verstand’ is de ondertitel.
Germanus, 41, verwijst ermee naar een fragment uit Herman
Hesses roman Der Steppenwolf (1927), waarin de hoofdpersoon terechtkomt op een
gemaskerd bal waar duiveltjes spelen in een orkest en waar hij bedwelmt raakt
door de vele hallucinerende indrukken. Germanus zet verglijdende microtonen in
om de desoriënterende sfeer van dit Magische theater te treffen. Dat lukt hem
uitstekend. Als aan het slot van de compositie het licht aangaat en reële
klanken het overnemen, voel je de verwarring met Hesses personage mee.
Ook Willem Jeths (54) is uitstekend op dreef. In zijn nieuwe
compositie Maktub kiest hij een loom tempo en warme, lage akkoorden waar een
hoge melodielijn bovenuit priemt. Maktub, Arabisch voor ‘het is geschreven’,
is, net als het werk van Germanus, voortgekomen uit een literaire bron: Goethes
dichtwerk West-östlicher Divan. Begin en einde, geboorte en dood, zijn ‘immer
fort dasselbe’. Waar het Jeths om gaat is wat daartussen ligt. Dat is bekend,
dat is geschreven, dat is Maktub.
De Nederlanders Jeths en Germanus mogen er wezen. In het programma
van Calefax krijgen ze gezelschap van de internationale muziekvernieuwers Kevin
Volans (Zuid-Afrika), Michelangelo Rossi (Italië), Conlon Nancarrow (VS) en Graham
Fitkin (Groot-Brittannië) maar hun bruisende ideeën blijven naast die beroemdheden
fier overeind.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 26 maart 2014
woensdag 19 maart 2014
Geknakte poppen als dubbelgangsters Lucia di Lammermoor
Opera
De Nationale Opera. Donizetti: Lucia di Lammermoor. Regie:
Monique Wagemakers. Solisten, koor van De Nationale Opera, Nederlands
Kamerorkest o.l.v. Carlo Rizzi. Amsterdam, Nationale Opera & Ballet, 14
maart. Tot 6 april. Uitzending: 27 maart, live via Radio 4.
Tegen het einde van Il gattopardo, de roman van Tomasi di
Lampedusa, hoort de stervende held van het verhaal een draaiorgel spelen. De
finale van Lucia di Lammermoor klinkt door de straten van Sicilië: Tu che a Dio
spiegasti l’ali, Jij die je vleugels naar de hemel spreidde – de aria die
erotiek en dood met elkaar verzoent.
Met die aria komt het toch nog goed. Het geluk dat Lucia en
Edgardo bij hun leven is ontzegd, is gesublimeerd tot muziek. De klanken gaan
door terwijl Edgardo, die zijn hart met een dolk heeft doorboord, sterft. Na
afloop stap je ermee in de metro naar huis en ook de volgende dag zitten ze nog
vers in je geheugen. Het drakerige verhaal ben je dan allang kwijt.
Bij De Nationale Opera, zoals De Nederlandse Opera tegenwoordig
heet, weten ze dat. Alle troeven hebben ze gezet op die finale, waarin Lucia,
gek geworden van verdriet, haar waanzinsaria zingt en waarin haar Edgardo, ondersteund
door een cello, zijn laatste woorden stamelt.
Ze hebben er de Australische sopraan Jessica Pratt voor naar
Amsterdam gehaald, een van de beste Lucia’s die er wereldwijd te vinden zijn.
Ze schreeuwt haar verdriet niet uit maar houdt het klein, ook als de hoogste
noten smeken om krachtige uithalen. Die beheersing betaalt zich terug in een zaal
die de adem inhoudt. Als in haar beroemde waanzinsscène met een ragfijne
topnoot de ontlading komt, juicht niet alleen het publiek, maar is er ook
applaus van Carlo Rizzi, de dirigent, en de musici van het Nederlands
Kamerorkest.
Dan moet de finale van Edgardo nog komen. Tegen alle regels
van de door primadonna’s gedicteerde cultuur in, heeft Donizetti ze toebedeeld
aan de tenor, zodat aan het slot van de opera de hoogtepunten over elkaar heen
buitelen. De laatste, verzoenende woorden zijn voor Ismael Jordi, de Edgardo
uit Jerez de la Frontera, die voor deze laatste aria zijn mooiste, meest
genuanceerde frases heeft bewaard.
De bariton Marco Caria zingt de rol van Lucia’s broer,
aanstichter van het verderf. Hij begint wat rauw maar laat naarmate de
voorstelling vordert een menselijkere kant van zijn rol aan het woord.
De enscenering van Monique Wagemakers is ruim zes jaar oud.
Ze laat de machteloosheid van Lucia zien door haar evenbeeld in poppen neer te
zetten die naarmate de voorstelling vordert steeds meer geknakt raken. Toch
lukt het haar niet een pregnante visie op het stuk te geven. De voorstelling blijft
statisch en eendimensionaal. Ook in het toneelbeeld mis je gelaagdheid. Het
wordt gedomineerd door een ielig bed, dat wankelt onder het niet geringe
gewicht van Lucia, en een kille, lege ruimte. De trage tempi van Carlo Rizzi
maken het er niet beter op, al weet hij zijn solisten wel te ondersteunen op
plekken waar het ritmisch lastig wordt.
Het koor, omgedoopt tot Koor van De Nationale Opera, is goed
in vorm en als Lucia tijdens haar waanzinsscène wordt begeleid door de onaardse
klanken van een glasharmonica – geniale vondst van Donizetti – is het alsof ze
samen met het romanpersonage van Lampedusa en al die andere ongelukkigen wegvliegt
naar een wereld zonder beperkingen.
Biëlla Luttmer
dinsdag 11 maart 2014
Het Orkest van de achttiende eeuw lonkt voorzichtig naar de opera
Beethoven. Kristian Bezuidenhout, Orkest van de Achttiende
Eeuw o.l.v. Kenneth Montgomery. Amsterdam, Muziekgebouw aan ’t IJ, 5/2. Tot
7/2. Van 8 tot 10/2 in de Doelen, Rotterdam.
De geluksmachine, zelfgekozen subtitel voor het Orkest van
de Achttiende Eeuw, moet blijven draaien. Nu Frans Brüggen, die de bouten en de
radertjes voor het apparaat in elkaar knutselde, steeds zwakker wordt, kijkt het
orkest naar opvolgers voor de dirigent.
Vorig jaar zagen we Ed Spanjaard in Rotterdam aantreden in
een formidabele uitvoering van Mozarts opera Così fan tutte. Nu is het de beurt
aan Kenneth Montgomery, de Ier die gevormd werd door de oude school van
Celibidache en die, net als Spanjaard, een operakenner is. Niet uitgesloten dat
het orkest zijn positie op dat terrein wil versterken. Juist de opera bleek bij
Brüggen een zwakke plek. Zat hij bij de Così van Spanjaard nog een in rolstoel
in de zaal, nu was hij afwezig – herstellende van een operatie.
Voor Montgomery staat er nog geen opera in de steigers. Hij
begint met een beproefde Beethovenserie: alle pianoconcerten, inclusief een
aantal dansen en een solo voor posthoorn die we al kennen van eerdere
uitvoeringen. Ook Kristian Bezuidenhout en zijn fortepiano van de Weense bouwer
Graf zijn oude bekenden. Toch klinkt het orkest onder Montgomery anders. Onmiddellijk
valt op hoe fijn hij de verhouding tussen de piano en de strijkers in het
orkest nuanceert. Ook de mooie spreiding van de basklank en de timing van de felle
trompetten nemen je onmiddellijk voor hem in.
Kenneth Montgomery, zeventiger inmiddels, leidde het orkest
al eerder tijdens een tournee. Zelfs als je zijn gezicht niet ziet, vertellen
zijn handen wat hij van de orkestleden verwacht. Met een uitgestrekte
wijsvinger zette hij de musici op scherp. Even later daagde hij met soepel
vloeiende armbewegingen de zangkwaliteiten van de blazerssectie uit.
Kristian Bezuidenhout is in topvorm, zeker in Beethovens
lyrische Tweede pianoconcert. ‘s Ochtends had hij wat zitten experimenteren met
de thema’s van het stuk, vertelde hij na afloop van het concert. ’s Avonds klonk
er een cadens die alle stijlkenmerken van Beethoven had en toch gloednieuw was:
cadeautje van Bezuidenhout.
In het orkest kon je zien hoe de solofluitist met stralende
ogen naar links keek, naar de plek van de hoboïst, terwijl Kristian
Bezuidenhout de tijd nam om Beethovens Eerste en Tweede concert ontspannen te
laten uitademen. De geluksmachine draait op volle toeren – met dank aan Kenneth
Montgomery.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 7 februari 2014
Je voelt de ruggengraat van contrabassen door het orkestweefsel heen
Schubert, Sjostakovitsj. Gautier Capuçon, Koninklijk
Concertgebouworkest o.l.v. Semyon Bychkov. Amsterdam, Concertgebouw, 29/1. Herhalingen:
31/1, 2/2.
Geen geluid van paarden die voorbijdraven, geen venijnig
priemende hobo, geen jankende cello: de Sjostakovitsj die Semyon Bychkov bij
het Concertgebouworkest neerzet klinkt als kamermuziek. Hij gooit geen olie op
het vuur maar blust met een zachte deken de uitslaande brandjes in het orkest. Boven
die gedempte klanken dringt het gesnuif van de solocellist Gautier Capuçon door
tot de verste hoeken van de Grote Zaal. Bychkov laat zich er niet door van de
wijs brengen. Hij blijft het zoeken in de kleine gebaren, in de motiefjes die
hij onder de loep legt en in hun fijne detaillering samensmeedt tot een betoog
bij kaarslicht.
De Russisch-Amerikaanse dirigent is de oudere broer van Yakov
Kreizberg, de overleden chef van het Nederlands Philharmonisch Orkest, die de
naam van zijn overgrootvader aannam. Beiden studeerden bij de legendarische
Ilja Moesin maar Bychkovs ronde gezicht en de kleine draaibewegingen van zijn
rechterpols zijn mijlenver verwijderd van Kreizbergs lijnrechte kaak en brede
armzwaaien. Bij Bychkov wordt Sjostakovitsj’ Eerste celloconcert muziek die
zich niet aan je opdringt maar die je uitdaagt je zintuigen op scherp te zetten.
Die aanpak is niet zonder risico. Soms ontbreekt er net die fractie ongeduld die
ervoor zorgt dat je wordt meegesleurd.
Ook Gautier Capuçon neigt eerder naar de dialoog met de
andere musici dan naar imponerend gonzend solovertoon. Als hij in het langzame
deel samen optrekt met de hoorn, leunt hij comfortabel tegen de warme
hoorntonen aan en als de violisten hun toon temperen en de klokjesklank van de
celesta inzet, voegt hij zich in die sfeer met zacht fluitende flageoletten.
Het wordt anders in de cadens, de lange solopassage. Daar fonkelt zijn toon en
laat hij zijn cello uit het orkest opveren.
In Schuberts Negende symfonie, zijn ‘Grote’, schaaft Semyon Bychkov
voorzichtig aan de laagjes in de compositie en maakt die zo dun dat je de
ruggengraat van contrabassen door het weefsel heen kunt voelen – een aanpak die
indrukwekkend goed uitpakt.
Het tweede deel wordt bij hem een lichte dans met aanstekelijke
ritmische puls. Opnieuw zorgt Bychkov voor een verrassing: als Schubert de adem
inhoudt en alle instrumenten laat zwijgen, verandert het karakter. Het
dansritme valt weg. Boven lichte tokkeltonen van de violen en contrabassen
neuriet een hobo, en een klarinet. Onthecht lonken ze naar een andere wereld,
die onaards ver weg ligt.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 31 januari 2014
Michael Jackson van de klarinet
AAA-festival. Glanert, Hillborg, Bartók, Lutoslawski,
Penderecki, Martin Fröst, Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Xian Zhang.
Amsterdam, Concertgebouw, 23/1. Tot 25 januari 2014.
De zwarte films van de gebroeders Quay komen eraan te pas,
een essay van de filosoof René Gude, een voorstelling van Toneelgroep Amsterdam: de AAA-serie van
het Concertgebouworkest is uitgegroeid tot een festival waarin een thema
binnenstebuiten wordt gekeerd door er op zoveel mogelijk manieren naar te
kijken.
The human body heet de huidige editie en de klarinettist
Martin Fröst vormde de link tussen dat lichaam en muziek. Fröst is de Michael
Jackson van de klarinet. Zijn ranke lijf kan hij laten schokken en slangachtig
kronkelen terwijl hij zijn ademhaling beheerst de klarinet in stuurt.
Voor de mini-opera Peacock Tales, van de Zweedse componist
Anders Hillborg, maakte het orkest plaats voor een kleine dansvloer, podium voor
Martin Fröst. Het stuk begint als een dromerige zanglijn voor alleen de
klarinet maar dan slaat de stemming om. Fröst draait zich weg van het publiek,
het concertlicht gaat uit en het theater begint. Met een Venetiaans masker op
speelt hij heen en weer schietende figuren, terwijl hij bruuske bewegingen
danst en zijn klarinet overdwars draait als een danspartner. De muziek verandert,
krijgt klezmertrekjes en fffft – Fröst blaast als een tovenaar de muziek uit.
In de volgende episode heeft hij zijn masker omgedraaid – de drie
harlekijnspunten zijn duivelse hoorntjes geworden en de muziek verschiet van
kleur, wordt grimmig. Uiteindelijk klinkt er geneurie in het orkest tot Fröst
de muziek definitief uitblaast.
Het is muziek die uitnodigt en prikkelt, en die door de
Chinese dirigente Xian Zhang verbluffend beheerst werd gebracht.
Detlev Glanert schreef voor het 125-jarig jubileum van het
Concertgebouworkest het gloednieuwe orkestwerk Frenesia. Voor hem is muziek een
organisme dat als een spier beweegt. Frenesia beschrijft hij als ‘een portret
van de mens van nu, met zijn lichamelijkheid, zijn zenuwstelsel, zijn spieren
en bewegingen’.
Hij trekt een lijn naar Ein Heldenleben, het stuk dat in
1898 door Richard Strauss werd opgedragen aan een jong Concertgebouworkest. Beide
zijn het directe, emotionele werken voor een uit de kluiten gewassen bezetting.
Tussen de zware paukenknal waarmee Glanerts stuk begint en de ijle harp waarmee
het eindigt slingert hij je heen en weer tussen betonnen orkestmuren en
ritselende vioolbevingen, een wonderschone fluitsolo en een swingende kleine
trom – hij wil niet alleen Strauss vangen maar ook de lichte sfeer van West
side story. Vanuit de zaal zag hij hoe Xian Zhang en het Concertgebouworkest
zijn stuk direct al bij de première in het hart wisten te raken.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 25 januari 2014
IJzige nachtwind van Marc-André Hamelin
Janácek, Medtner, Ravel, Berg.
Amsterdam, Muziekgebouw aan ’t IJ, 11 januari 2014
De Canadese pianist Marc-André Hamelin (52) is altijd
nieuwsgierig, altijd op zoek naar de niches in zijn vakgebied en heeft ook nog
eens een frisse dosis humor. Toen een concert eens werd verstoord door een
rinkelend mobieltje sloeg hij terug met een eigenhandig gecomponeerde Valse
Irritation d’après Nokia. Dat was bij het opvallend geconcentreerde publiek in
het Muziekgebouw aan ’t IJ niet nodig maar meteen al bij de opening van zijn
concert liet hij doorschemeren dat hij ook de bekende stukken op zijn programma
eens flink door elkaar zou schudden. De Sonate opus 1 van Alban Berg gaf hij een
fundament van bijtende akkoorden en glasheldere ritmes. Met een rechterhand
waarin soms improvisatieachtige aarzelingen verstopt zaten leek het alsof je
een etage hoger was beland, in het jazzmekka van het BIM-huis. Geweldig, hoe
hij zo voor een groot publiek de deur open gooide naar de wereld van Alban Berg.
In de kolossale Sonate met de bijnaam Nachtwind, van de Rus
Nikolaj Medtner, hoor je echo’s van Rachmaninov, maar dan grootser, alsof
Medtner liever voor een orkest dan voor de piano had willen schrijven.
Weelderige melodieslingers houdt hij bij elkaar door duizenden nootjes die als
waterdampdeeltjes één klankwolk vormen. Jammer dat Hamelin deze nachtwind geen
zoele, tropische temperatuur gaf maar er een staalhard Siberisch koufront van
maakte. Grootse akkoorden ging hij te lijf met een bitse, straffe toon die merkwaardig
ver verwijderd bleef van het gebied met de doorschijnende nevels.
Bij zijn selectie uit de cyclus Op een overgroeid pad van
Leos Janácek werkte zijn koel analytische aanpak wel. Hij zag kans de milde
halftonen in de deeltjes te onderbreken voor een onverwacht oprukkende baslijn
en obstinaat drammende dissonanten die de prikkelende dwarsheid in de stukken
naar boven haalden.
Even spannend klonk Gaspard de la nuit, Ravels berucht
virtuoze cyclus. Daarin koos Hamelin in het middendeel een tergend traag tempo.
Die ene toon die van het begin tot het eind maar door- en doorgaat kreeg zo een
hypnotiserende werking.
Met twee toegiften zette de Canadees zijn krachtige handtekening
onder het concert: een deeltje uit een zelden gespeelde suite van Leopold Godowsky,
en Chopins Minutenwals. Net toen je je verbaasd begon af te vragen wat dit
roomtaartje deed tussen al die buitenbeentjes, kwam de aap uit de mouw. Hamelin
liet hij het stuk uit de rails lopen met freakende akkoorden.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 13 januari 2014
Abonneren op:
Posts (Atom)


