vrijdag 8 februari 2013

Andreas Staier laat het lijntje net niet breken


Op de hoes van de nieuwe klavecimbel-cd van Andreas Staier staat een uitsnede van een schilderij van Giorgione. Die is niet zomaar gekozen. Nadat Staier een aantal kunstwerken had gezien van Dürer, Giorgione, Domenico Feti en Georges de la Tour over het thema melancholie ontstond het idee daar een muzikale vorm voor te vinden.

Johann Jacob Froberger, barokcomponist, leverde de eerste aanzet met zijn Suite Plainte faite à Londres pour passer la Mélancolie. Langzaam en discreet te spelen, staat erbij. Dat laatste neemt Staier letterlijk. Hij lijkt te mediteren over de stukken van Louis Couperin, d'Anglebert, Clérambault, Muffat en Fischer.

De vrijheden die hij neemt liggen vlak tegen de grens van het breken van de muzikale lijn. Soms gaat hij daar bewust overheen. Dan stokt de muziek en houd je als ook luisteraar je adem in. Alleen een grootmeester als Staier kan je verleiden zo ver voorbij je eigen muzikale grenzen te gaan.

Andreas Staier: ...pour passer la mélancolie
Harmonia Mundi

de Volkskrant, 6 februari 2013

Stile Antico, renaissance met een spannende bite


De cd Passion & Resurrection kun je op verschillende manieren beluisteren. De jonge zangers van het Britse Stile Antico hebben muziek uitgezocht die is geïnspireerd door de Goede Week, de week voorafgaand aan Pasen.
Elf componisten uit de Engelse, Vlaamse en Spaanse Renaissance laten horen hoe de muziek van het vasteland verschilde van die van het destijds tamelijk geïsoleerde Britse eiland. Maar je kunt er ook anders naar luisteren. Leg de zetting van de oude William Cornysh (1465-1523) naast die van John McCabe, geboren in 1939 - de twaalfde componist van de cd - en je hoort dezelfde tekst, het schrijnende 'Woefully Arrayed'. Beiden snijden zich een weg naar de emotie van de luisteraar maar de route die ze kiezen is, uiteraard, compleet verschillend. Mooi dat Stile Antico het werk van McCabe in het centrum van de cd heeft geplaatst. Zijn schurende klanken leveren een spannende bite op die de renaissancewerken nog mooier laat uitkomen.

Stile Antico: Passion & Resurrection
Harmonia Mundi

de Volkskrant, 6 februari 2013

Ingolf Wunder heeft moeite met kiezen


Relatief nieuw op de podia is de pianist Ingolf Wunder. Hij is 27, groeide op in het Oostenrijkse Klagenfurt en brak in 2010 door met een gedeelde tweede prijs bij het befaamde Chopin Concours in Warschau. Nadat hij twee cd's lang halt hield bij werken van Chopin, schiet hij nu met de snelheid van een straaljager door de muziekgeschiedenis.

Van Domenico Scarlatti tot John Williams - dan kom je inderdaad op de 300 jaar muziek waaraan hij de titel van zijn cd ontleent. Met de Berceuse put hij weer uit het werk van Chopin. Veel te veel zoet roert hij door Mozarts Sonate KV 333. En dan rijgt hij toegift aan toegift, vooral van het type vuurwerk à la Horowitz: parafrases en arrangementen, ook van hemzelf, die de aandacht maar beperkt kunnen vasthouden. Na zestien stukken laat hij je achter met het gevoel dat hij met een kritischer repertoirekeuze een schitterende cd had kunnen maken.

Ingolf Wunder: 300 years of piano music
Deutsche Grammophon


de Volkskrant, 6 februari 2013

dinsdag 5 februari 2013

Meesterpianist Volodin blaast de toetsen zachtjes aan



Als prins Willem-Alexander koning wordt, kan hij zeggen dat hij zich niet alleen heeft verdiept in pianowerken van Schubert en Beethoven maar ook in de cross-over van de Rus Nikolaj Kapustin. Vanaf het frontbalkon van het Concertgebouw luisterde hij zondagavond incognito naar een optreden van de eveneens Russische klaviervorst Alexei Volodin (1977).     
Die kwam na fascinerend teer gespeelde Impromptu’s van Schubert (speelde hij echt met zijn vingers of blies hij de toetsen zachtjes aan?) en een al even licht opgezette Sonate ‘Pathétique’ van Beethoven uit bij zijn landgenoten. Bij de bewerking die collega Mikhail Pletnev maakte van Tsjaikovski’s Notenkrakersuite: razend virtuoos maar in handen van Volodin vooral wonderbaarlijk fragiel. En bij Nikolaj Kapustin (1937).
Op jacht naar nieuwe muzikale vormen kwam deze Oekraïnse componist en pianist uit bij een mengeling van jazz en klassieke vormen. Wonderlijk voor een jazzliefhebber: aan improviseren had hij een hekel. Zijn karrevrachten nootjes schreef hij stuk voor stuk uit. Daardoor zijn ze letterlijk te spelen door nieuwe generaties pianisten.
Alexei Volodin trakteerde zijn Amsterdamse publiek op Kapustins Tweede sonate, volgens kenners zijn meest complexe. Sonate, dat klinkt naar Haydn, of Schubert, en precies zoals die oude meesters heeft Kapustin zijn compositie opgezet: in heldere vormen, met een langzaam deel als rustpunt en een zoevend perpetuum mobile aan het slot. Maar van binnen gist het. Borrelende jazzakkoorden en rauw knallende accenten zetten spanning op de veilige vorm.
Voor Volodin ging geen zee te hoog. In hoog tempo jakkerde hij over de toetsen. Af en toe leverde dat meeslepende momenten op maar Kapustin blijkt een man die twee werelden wil verenigen die elkaar wezensvreemd zijn. Aan Volodin heeft hij een vertolker die zijn wirwar van noten allemaal kan raken en zijn doldwaze fusionmuziek ook nog serieus neemt. Onwaarschijnlijk knap en tamelijk uniek.    
Maar in de toegiften leer je de ware meesterpianist kennen. De ijdelheid van Barenboim (meer dan 10 stuks), de jazzpianist in Matsujev, de lefgozer in de oude Pollini. Alexei Volodin zwaaide zijn Amsterdamse publiek uit met Chopin. Een wals (voor de liefhebber: die in cis, op. 64 nr. 2) en de postume nocturne, eveneens in cis. In die eerlijke, pure stukken bleek al die zoevende zachtheid geen middel om de ziel van een stuk bloot te leggen maar een doel op zich. Niets diepzinnigheid, gewoon keihard werken en de techniek effectief inzetten. Eeuwig zonde dat je naar huis ging zonder echt geraakt te zijn door het meesterschap van Volodin. 
de Volkskrant, 5 februari 2013
Beethoven, Schubert, Tsjaikovski/Pletnev, Kapustin. Alexej Volodin. Amsterdam, Concertgebouw, 3/2. 

woensdag 30 januari 2013

Guillaume Tell - bevrijding, ook voor Pierre Audi


Voor het eerst werkt de Nederlandse Opera samen met de Metropolitan. Guillaume Tell, de laatste, groots opgezette opera van Gioacchino Rossini, steekt over een paar seizoenen de oceaan over om gespeeld te worden in de immense zaal in New York. Maar eerst is de nieuwe enscenering van Pierre Audi te zien in het Muziektheater in Amsterdam.
De co-productie is opmerkelijk, alleen al vanwege de cultuurverschillen tussen de Met en DNO. Staat er in de partituur een alpenweitje dan willen de New Yorkers een grazige vlakte zien. In Amsterdam mag het van alles zijn, als het maar geen grasveld is.
Het is dan ook wennen als het koor al in het eerste bedrijf van de opera over de Zwitserse vrijheidsstrijder stereotiepe danspasjes maakt en er tegen het grijsblauw van de achtergrond drie stakerige huisjes verrijzen.
Van decorontwerper George Tsypin en regisseur Pierre Audi kennen we een taal van gestes en subtiele verwijzingen. In deze productie hebben ze de verhaallijn in de eerste aktes minutieus uitgetekend. Het duurt uren voordat de rotspartijen, de pijl en boog en de appel op het hoofd van Tells zoon Jemmy plaats maken voor minder eenduidige beelden.
Pas tijdens een warm uitgelichte koorscène wordt duidelijk dat Audi en Tsypin welbewust toewerken naar een steeds grotere mate van abstractie.
Het is voor de New Yorkers te hopen dat ze niet alleen de enscenering maar ook de uitzonderlijk goed gekozen solisten uit Amsterdam krijgen. Zeker de Amerikaanse tenor John Osborn straalt spectaculaire oerkracht uit in zijn rol van de verliefde Arnold Melcthal. Hij combineert lyrische lijnen met hoogte en kracht - een even unieke als gevaarlijke combinatie. Wie dergelijke loodzware rollen zo kan zingen als Osborn, is een gewild man - en loopt het risico zijn stem vroegtijdig kapot te zingen.
Ook zijn geliefde Mathilde moet een virtuoze Rossinistem in huis hebben. Daaraan is bij de Letse sopraan Marina Rebeka geen gebrek maar naast alle knap gezongen capriolen klinkt er hardheid in haar hoogte. Daardoor wordt ze eerder angstaanjagend dan verleidelijk.
Warmte brengen de stemmen van de kolossale Italiaanse bariton Nicola Alaimo (Guillaume Tell), Patrick Bolleire als vader Melcthal en van de Franse sopraan Eugénie Warnier in een stoere jongensrol. Als zoon van Tell - ja, die met de appel op het hoofd - zingt ze noten die horen tot de eerlijkste en gevoeligste uit de hele opera.
De basis van deze topprestaties ligt bij het Nederlands Philharmonisch Orkest dat onder leiding van dirigent Paolo Carignani tintelend licht en fabelachtig ritmisch een echte Rossinisfeer oproept: speels en met Italiaanse passie in de beroemde ouverture en de balletten en teer meeverend tijdens de begeleiding van de zangers.
Als het aan het eind van de opera stormt op een van de Zwitserse meren, doemt er een immense houten boot op, hoog boven het podium, met de redder Guillaume Tell aan boord. De golven zijn traag bewegende tl-buizen. Daaronder zingt het koor, prachtig goudgeel verlicht. Met de bevrijding van het Zwitserse volk schudden ook Audi en Tsypin het juk van de letterlijke invulling van het operaverhaal van zich af - een schitterende vondst die de ontknoping een extra lading geeft en de productie naar een indrukwekkend niveau tilt.
Gioacchino Rossini: Guillaume Tell. De Nederlandse Opera. Regie: Pierre Audi. John Osborn, Nicola Alaimo, Marina Rebeka, Eugénie Warnier, Koor van DNO, Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Paolo Carignani.
Amsterdam, Muziektheater, 28/1. Tot 18/2. Uitzending: 9/3 via Radio 4.
de Volkskrant, 30 januari 2013

vrijdag 25 januari 2013

Mariss Jansons, maestro in volle breedte



Hij dirigeert vier van de beste orkesten ter wereld en geeft zijn publiek de kans zelf te constateren hoe het gesteld is met de veel bekritiseerde globalisering van de orkestklank. Dat loopt zo'n vaart niet, meent Mariss Jansons.
De chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest is net 70 geworden. Ter ere van zijn verjaardag is hem gevraagd een eigen serie samen te stellen. Daarin dirigeert hij zijn favoriete orkesten in werken die hem bijzonder na aan het hart liggen. Zo'n carte blanche reserveert het Concertgebouw sinds twintig jaar voor musici met een uitzonderlijke staat van dienst. Voor Bernard Haitink bijvoorbeeld, die daarmee net als Jansons zijn 70ste verjaardag vierde.
Jansons' carte blanche is meer dan een eerbetoon aan de veel bejubelde maestro. Doordat één dirigent vier van de beste orkesten ter wereld leidt, ontstaat een unieke kans om te horen of de toporkesten werkelijk zo op elkaar zijn gaan lijken als critici beweren.
Mariss Jansons, net terug van een zonnige vakantie op Mauritius, gelooft daar niets van: 'Best mogelijk dat orkesten uit een lager echelon op elkaar zijn gaan lijken, maar bij deze toporkesten zijn de verschillen nog altijd groot. Ze hebben ieder hun onverwisselbaar eigen karakter. Dat voel je meteen als je ze dirigeert.'
Toch is de globalisering van de orkestklank al jaren een punt van zorg. Ooit hoorde je aan de houtblazers dat je met het Concertgebouworkest van doen had, aan de weelderige strijkers herkende je de Berliner Philharmoniker. Musici zaten decennialang op hun eigen plek in een orkest. Ze werden ingewerkt door hun voorgangers, die er persoonlijk op toezagen dat de geschiedenis en de klankcultuur van een orkest werd overgedragen op de nieuwe generatie.
Tegenwoordig gaat het anders. Als er een plek vrijkomt, worden er strijkers uit Japan, de Verenigde Staten, Bolivia, Rusland en Denemarken ingevlogen om auditie te doen. Grote dirigenten zijn niet langer chef van één orkest, maar verdelen hun tijd soms tussen meerdere ensembles. Daarnaast werken ze als gastdirigent bij nog meer orkesten. Mariss Jansons is daarop geen uitzondering. Hij verdeelt het grootste gedeelte van zijn tijd tussen Amsterdam en München. Verder dirigeert hij al jaren het Nieuwjaarsconcert in Wenen.
Is er, met musici uit alle uithoeken van de wereld, nog wel verschil te horen tussen de Berliner Philharmoniker, de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Koninklijk Concertgebouworkest? En wordt de klank niet helemaal genivelleerd als dezelfde Jansons bij alle orkesten van zijn keuze op de bok staat?
'Daar is geen sprake van', denkt de dirigent. 'Neem de Wiener - een zeer emotioneel orkest met een klank die wunderbar is, met warmte, intelligentie, een groot stijlgevoel en een ongelooflijk repertoire. Ze fungeren ook als operaorkest en beheersen werkelijk alles. Hun geweldige zaal (die van het Musikverein in Wenen, red.) heeft op die klank ook zijn invloed gehad.
De Berliner zijn heel anders van aard, zegt Jansons: 'Ze zijn temperamentvol en virtuoos - ik zou zeggen: een volmaakt orkest. Het Koninklijk Concertgebouworkest en het Orkest van de Beierse Omroep hebben datzelfde hoge niveau. En dat zeg ik niet omdat van die orkesten de chef ben.'
Het Concertgebouworkest, vervolgt hij, 'onderscheidt zich door een geweldig raffinement en een klank die in de richting komt van de Wiener. Het Orkest van de Beierse Omroep ten slotte, neigt meer naar de Berliner, met veel spontaniteit en met levendigheid.'
Met die orkesten kiest Jansons voor de klassieke periode (Haydn, met de Wiener) en een Russisch programma (Orkest van de Beierse Omroep), voor de romantiek (Brahms, met de Berliner) en de 20ste eeuw (Bartók, met het Concertgebouworkest en de Berliner). Maar daarmee wil hij niet de indruk wekken dat het de Berlijners en de Amsterdammers zijn die de 20ste eeuw beter in hun vingers hebben dan de orkesten uit München of Wenen. De verschillen liggen op een ander, karakterologisch niveau. 'Deze orkesten kun je alles voorzetten.' Hij denkt na en neemt een slokje van zijn glas kamillethee. 'Ik wil een zo breed mogelijk spectrum laten horen van stijlen en componisten waar ik van houd. De klank- en karakterverschillen tussen de orkesten worden tijdens de concerten zonneklaar.'
Die eerste gelegenheid om dat te constateren, is op 25 januari. Dan geeft het Concertgebouworkest de aftrap met de Eerste symfonie van Gustav Mahler en het Eerste vioolconcert van Béla Bartók. Solist is Leonidas Kavakos, de Griekse violist die afgelopen zomer al met Jansons en het Concertgebouworkest een specaculaire uitvoering gaf van het Tweede vioolconcert van Bartók. Tussen de optredens in Nederland door gaat Jansons met het Concertgebouworkest op wereldtournee, maar op de dag van zijn verjaardag, 14 januari, was hij met zijn vrouw en kinderen thuis in Sint-Petersburg - ver van de jubelende menigten.

Net voor zijn 70ste verjaardag, op 14 januari, hoorde Mariss Jansons dat hij de Ernst von Siemens Musikpreis krijgt uitgereikt, een onderscheiding die wel wordt omschreven als de Nobelprijs voor muziek. Hij ontvangt de prijs voor zijn 'diep menselijke manier van dirigeren'. Volgens het juryrapport: 'Deze menselijkheid laat hij uit de muziek zelf ontstaan en maakt hij voelbaar voor zijn toeschouwers en degenen met wie hij musiceert.' Aan de Ernst von Siemensprijs is een bedrag van 200 duizend euro verbonden.

de Volkskrant, 22 januari 2013


Cornelis de Bondt verbrandt zijn eigen oeuvre



Het is klaar, over, voorgoed voorbij. Cornelis de Bondt heeft 33 jaar van componeren afgesloten met zijn laatste compositie in de huidige muziekpraktijk. Die eerste en laatste uitvoering van ‘Das Lebewohl’, een opdrachtcompositie voor de Radio Kamer Filharmonie, werd gespeeld in een matig gevuld Muziekgebouw aan ’t IJ.  
Van meet af aan was duidelijk dat er iets theatraals zou gebeuren. De man van de pamfletten en de statements die vorige week met een gierende heliumballon een concert van het Concertgebouworkest verstoorde zou zichzelf tekort doen zonder spetterend slotakkoord. Van tevoren kon je hem zien smiespelen met een jongen die in parka en met een groene baret op in de Grote Zaal van het Muziekgebouw aan ’t IJ zat. Zou die met een bazooka de partituren naar een andere wereld knallen? Of het publiek in gijzeling nemen om toch nog een doorstart van de Radio Kamer Filharmonie te forceren?
Niets van dat al. Na een brave uitvoering van een compositie die met spannende gongslagen begon maar vervolgens bleef steken in zouteloze citaten werden de partijen in een kano gelegd. Als een doodskist werd hij op de schouders gehesen en te water gelaten in het IJ. En pas toen werd het echt spannend. De kano zou in brand moeten vliegen maar dat mislukte, waarna een leerling van De Bondt met gevaar voor zijn leven in het ijskoude water sprong om de truc alsnog te voltooien. Om Das Lebewohl hoeven we geen traan te laten. Wel om eerdere werken van De Bondt, zoals Die wahre Art, een stuk dat eerder die avond door pianist Gerard Bouwhuis en het orkest met vuur werd gespeeld. Net als al het andere werk van De Bondt mag het niet meer worden uitgevoerd.  
de Volkskrant, 26 januari 2013
Rond De Bondt. Gerard Bouwhuis, Radio Kamer Filharmonie o.l.v. Martyn Brabbins. Amsterdam, Muziekgebouw aan 't IJ, 24 januari.  

De artistieke staking van Cornelis de Bondt (59) is een rigide stap die past bij de componist die ook in zijn werken radicale keuzes maakt. Karkas, Bloed, Bint, Het gebroken oor, Die wahre Art - het zijn stukken met glasheldere vormen en snoeiharde klanken die soms worden verzacht door citaten uit een ver verleden. Gezangen van Monteverdi, Marenzio en Josquin zijn erin terug te vinden en fragmenten uit werken van Bach en Schönberg.
De Bondt is gepokt en gemazeld in de Haagse School, de stroming die zich kenmerkt door nuchterheid en strengheid en die daarmee de tegenpool vormt van de Rotterdamse School, waar intuïtie een belangrijke leidraad is bij het componeren. De belangrijkste Haagse componisten zijn Louis Andriessen, Jan van Vlijmen, Martijn Padding en Cornelis de Bondt. Maar de scheiding tussen nuchterheid en intuïtie is bij De Bondt in de praktijk geen harde grens. Zijn oud-docent Jan van Vlijmen merkte over hem op: 'Pas op, misschien is hij wel de meest intuïtieve van ons allemaal.'
Zeker de laatste decennia gaat hij de confrontatie met het verleden aan. Zijn persoonlijke verleden - de invloed van een vader die in de oorlog gevangen zat in een concentratiekamp - kreeg een plaats in Bloed. Met de titel van zijn nieuwste compositie, Das Lebewohl, refereert hij aan de 26ste pianosonate van Beethoven - een iconisch werk uit een collectief muzikaal verleden. Het is geschreven voor het afscheid van de Radio Kamer Filharmonie, het orkest dat door bezuinigingen ophoudt te bestaan. Daarnaast wordt het De Bondts eigen afscheid van 'de huidige hedendaagsemuziekpraktijk'.
de Volkskrant, 24 januari 2013