woensdag 9 mei 2012

De harteklop van Riccardo Chailly


muziek
Brahms, Sjostakovitsj. Leonidas Kavakos, Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Riccardo Chailly. Amsterdam, Concertgebouw, 7/5.
Onder muziekjournalisten was het een jaar of tien geleden een sport: de tijd klokken die Riccardo Chailly, toen nog chef-dirigent van het Concertgebouworkest, nodig had voor een compositie en kijken hoe dicht die in de buurt kwam van de uitvoering van een dag later. Meer dan seconden verschil was er nooit. Het zegt iets over de ongelooflijke innerlijke hartslag van de voormalige slagwerker. Een avond Chailly was een avond zorgvuldig doordachte gedrevenheid.
Hij was weer even in Amsterdam, nu met het Gewandhausorchester Leipzig, waar hij sinds 2005 het chefsstokje zwaait. Ook met dit eerbiedwaardige instituut zitten zijn tempokeuzes gebeiteld, zeker als hij gezelschap krijgt van Leonidas Kavakos. Deze Griekse violist, tegenwoordig ook dirigent, nam in het Eerste vioolconcert van Sjostakovitsj de gelaten, bijna vermoeide sfeer in het nachtelijke openingsdeel over maar zweepte Chailly vervolgens op tot een gedenkwaardige apotheose. Voorafgaand aan de finale gaf hij in zijn cadens, vrijplaats voor een persoonlijke invulling van de noten, de aanzet voor een ontknoping die reikte naar de superlatieven van snel, geprononceerd, uitzinnig.
Met schrijnende toon kerfde hij Sjostakovitsj’ handtekening in een compositie die was ontstaan tijdens de zwaarste jaren van Stalinistische onderdrukking. Die klonk als een woedend gebed. De musici van het Gewandhausorchester lieten zich door het spel van Kavakos aansteken. Een gloeiende althobo, onvermoede zangerigheid van een tuba, slagwerkers die van hun plek achteraan op het podium oprukten naar de frontlinies – zo kan alleen een toporkest klinken. Na een uitzinnige finale vielen Chailly en Kavakos elkaar uitgeput in de armen: een fenomenale orkestleider en een violist die diens wildste tijden wist te kloppen.
Niet eenvoudig om na dat emotionele moment terug te komen. In de Derde symfonie van Brahms  lukte het maar gedeeltelijk de euforie om te zetten in een klassiek vormgevoel van hetzelfde sublieme niveau. De van oudsher donkere klank van de Leipzigers had Sjostakovitsj’ Vioolconcert extra lading gegeven. In de dicht geïnstrumenteerde gedeelten van de Brahmssymfonie zorgde het voor een vettige aanslag op de klank. Daar stonden lichtere passages tegenover die open en helder klonken. En bij een Italiaan is de menselijke stem nooit ver weg. In het beroemde derde deel kon je ervaren hoe Chailly’s zangersbloed door de Duitse noten heen brak.
Het komende seizoen komt Riccardo Chailly terug bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Het wordt zijn eerste optreden als gastdirigent bij het orkest waar hij in 2004 als chef vertrok.
Biëlla Luttmer 
de Volkskrant, 9 mei 2012

zondag 25 maart 2012

Intriges op en achter podium Reisopera

Figaro, gravin en graaf foto: H&C Baus

Opera
Mozart: Le nozze di Figaro. Nationale Reisopera. Regie: Gijs de Lange. John Chest, Johanni van Oostrum, Claire Ormshaw, John Molloy, Karin Strobos, Erik Slik, Arwel Huw Morgan, Christine Tocci, Julia Westendorp, Koor van de Nationale Reisopera, Nederlands Symfonieorkest o.l.v. Jan Willem de Vriend. Enschede, Wilminktheater, 24/3. Tournee tot 21/4. Uitzending: 14/4 via Radio 4.

De première van Le nozze di Figaro is doorgegaan alsof er in Enschede niets aan de hand is. Buiten de bühne is er een oorlog losgebrand tussen de Nationale Reisopera en de orkesten van Jan Willem de Vriend maar op het podium van het Enschedese Wilminktheater stonden de dirigent en de operacast voor het oog eensgezind naast elkaar. De strijd gaat om de 3,5 miljoen euro die de staatssecretaris wil besteden aan een opera-instelling in het oosten van het land. Eind januari toverde De Vriend samen met orkestdirecteur Harm Mannak ineens een nieuwe, concurrerende organisatie uit de hoge hoed, Stichting Opera Aurora, dat de miljoenen naar zich toe wil trekken. Als ze daarin slagen, betekent dat het einde van de Reisopera. De intriges van Mozarts Conte di Almaviva halen het niet bij de Twentse werkelijkheid.
Voor die hoofdrol in Figaro heeft de Reisopera intussen een topsolist weten te strikken: de Amerikaan John Chest, die zijn entree maakte in een afzichtelijk felblauwe onderbroek die dankzij een steeds openvallende kamerjas voortdurend in beeld was. Chests stoere baritonstem heeft de internationale klasse die de Reisopera dankzij een mooie reputatie wel vaker weet aan te trekken. Met John Molloy als Figaro, zijn concurrent in de liefde, en de Nederlandse tenor Erik Slik als muziekleraar Basilio, hield hij het niveau van de mannenrollen op een hoog peil. Bij de vrouwen moest Claire Ormshaw (Susanna) met een kleine stem de mannen het hoofd op hol zingen en bleef ook de vocale uitstraling van Karin Strobos (Cherubino) aan de bescheiden kant. De echte sfeer moest komen van Johanni van Oostrum, die in haar aria ‘Porgi amor’ soms intonatieproblemen had maar na de pauze revanche nam met een aangrijpend gezongen ‘Dove sono’.
De zangers hadden het niet gemakkelijk met de onsamenhangende regie van Gijs de Lange. Tegen het decor van een oude fabriekshal moesten zij met een parodie op de danspasjes van Michael Jackson, verstoppertje spelen of recht vooruit de zaal in zingen de spanning op peil zien te houden. Wie hard zijn best deed, kon zich bij de metershoge gedrapeerde groene gordijnen van decorontwerper Yvon Muller een bos voorstellen, maar wie even de aandacht liet verslappen waande zich in het interieur van de goede oude Jordanese tante Leen.
In de orkestbak speelde het Nederlands Symfonieorkest, zo wil het Orkest van het Oosten tegenwoordig heten, in kleine bezetting. Jan Willem de Vriend hield zangers en orkest mooi bij elkaar maar had verzuimd de continuospelers in te wijden in de kunst van het recitatiefbegeleiden. Die vele verhalende passages smeken om een fantasievolle, vitale aanpak. In plaats daarvan legden ze de voorstelling stil. Zelfs een ster als John Chest kreeg het niet voor elkaar hem in het laatste bedrijf nog vlot te trekken.
Biëlla Luttmer 
de Volkskrant, 26 maart 2012

maandag 19 maart 2012

Valeri Gergjev terug bij KCO

Dirigent Valeri Gergjev

Muziek
Sibelius, Prokofjev, Dutilleux. Leonidas Kavakos, Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Valeri Gergjev. Amsterdam, 16/3.
Valeri Gergjev en Leonidas Kavakos, een grotere tegenstelling is nauwelijks te verzinnen. Toch stonden ze samen op het podium van het Amsterdamse Concertgebouw – de Russische dirigent met de strakke kaken van een generaal en de Griekse violist die met zijn lange sluike haar steeds meer op John Lennon gaat lijken. Hij is musicus met de andere musici op het podium: voor het spelen krijgen zijn collega’s aan de eerste lessenaars van het Koninklijk Concertgebouworkest geen formele handdruk maar een omhelzing. Het zette de toon voor een uitvoering van het Vioolconcert van Sibelius waarin Gergjevs kaken ontspanden en waarin de tedere klanken van Kavakos’ viool weerklonken in de sfeer van het orkest.
Er was vooral met spanning uitgezien naar de wisselwerking tussen Gergjev en het Concertgebouworkest, een hernieuwde kennismaking die meer dan zestien jaar op zich heeft laten wachten. De voormalige chef van het Rotterdams Philharmonisch Orkest geldt als een dirigent die de magie in de composities van Sjostakovitsj en Prokofjev aan de oppervlakte kan brengen. Tegelijkertijd is hij een man die met zijn grillige gedrag menig orkestlid tot wanhoop drijft.
Destijds dirigeerde hij een puur Russisch programma, nu begon hij met Métaboles, een compositie uit 1964 van de Fransman Henri Dutilleux, die zijn basisidee partikeltje voor partikeltje van gedaante laat veranderen. Strak geëtste houtblazerstonen transformeren in uitgegomde vegen van de strijkers. Zeven slagwerkers en een uitgebreide groep blazers morrelen aan de texturen van een toon: ze maken hem weker of geven hem een venijnige scherpte.
In handen van Gergjev werden die eigenschappen nog eens uitvergroot. Luid werd daverend, zacht kreeg onder zijn vlinderende handbewegingen het karakter van adem die langs je wang strijkt. Gergjevs Dutilleux is een andere dan we gewend zijn, eentje met meer bite en minder Frans gevoel voor timbres, maar de compositie kon die grootse aanpak goed verdragen.
In Prokofjevs Vijfde symfonie kwam alles samen: Gergjevs kracht en de onwaarschijnlijke potentie van het Concertgebouworkest, dat zich in het allegro marcato liet opdrijven tot een uitzinnig gepassioneerde dans – een droomuitvoering, op de grens van het technisch haalbare, en het emotioneel bevattelijke, maar daardoor onweerstaanbaar spannend.
De meeste sympathie was voor Kavakos, die zich in alle kwetsbaarheid aan zijn publiek liet zien en als toegift in zijn eentje een hondsmoeilijke bewerking van een simpele gitaarmelodie speelde. Hij kreeg er evenveel applaus voor als Gergjev voor zijn magistrale Prokofjev.
Biëlla Luttmer   
de Volkskrant, 19 maart 2012

woensdag 14 maart 2012

Magistrale Meesters


Arthur en Lucas Jussen op het jubileumconcert foto: Dennis Sies

Reportage
25 jaar serie Meesterpianisten. Aldo Ciccolini, Jevgeni Kissin, Jean-Yves Thibaudet, Alfred Brendel, Nikolaj Loeganski, Alexander Gavrylyuk, Severin von Eckardstein, Lucas en Arthur Jussen. Amsterdam, Concertgebouw, 11/3.
Marco Riaskoff heeft niet gejodeld. De impresario van de serie Meesterpianisten, in kleine kring beroemd om zijn beheersing van de alpiene jubel, had in een interview aangekondigd dat hij in jodelen zou uitbarsten als Martha Argerich de mystery guest zou zijn die tijdens de viering van zijn 25-jarig jubileum de trap in het Concertgebouw zou afdalen. Ze kwam niet. En ook Maria João Pires, Arcadi Volodos en de presentator Paul Witteman moesten het laten afweten.
Het verjaarsconcert van zijn serie werd er nauwelijks minder bijzonder door. Met Koningin Beatrix als eregast, met Prins Maurits en Prinses Marilène en met muzikale coryfeeën als Frank Peter Zimmermann, Elly Ameling, Theo Olof en Jan Wijn vierden 2000 liefhebbers Riaskoffs betekenis voor het Nederlandse muziekleven. 
Voor Riaskoff zelf was het programma zorgvuldig geheim gehouden. Hij zag vanaf zijn plek op het frontbalkon een unieke stoet pianisten voorbijtrekken: de gelauwerde meesters Aldo Ciccolini, Jevgeni Kissin, Jean-Yves Thibaudet, Nikolaj Loeganski, Alexander Gavrylyuk, Severin von Eckardstein en de jonge Nederlandse broers Lucas en Arthur Jussen – een blijk van erkentelijkheid voor de vele jaren waarin hij zich niet alleen onderscheidt door zijn neus voor niveau maar ook door de toewijding en zorg waarmee hij zijn musici onthaalt. Daardoor is ‘Amsterdam’ een begrip geworden in de internationale pianistenwereld.
Behalve boeiende vergelijkingen tussen klankgevoel, trefzekerheid, lef en kippenvelpotentie van de musici bood de avond een onverwachte blik achter de schermen. Het publiek op het frontbalkon liep de kans Jevgeni Kissin tegen het lijf te lopen, die achter de deur naar het podium stilletjes stond te luisteren naar het spel van zijn collega’s.
Zichtbaar voor iedereen was het ontroerendste moment van de avond: Scarlatti’s Sonate K380 door de bijna 87-jarige Aldo Ciccolini. De sfeer was sereen en bezonken maar de spieren in zijn vingers hadden de tintelende snelheid van een twintigjarige.  
Zelfs in dit gezelschap van giganten waren er opmerkelijke uitschieters. De 27-jarige Oekraïner Alexander Gavrylyuk smolt in een bewerking van Rachmaninovs Vocalise de hamers in de vleugel om tot één tere zangstem en tartte vervolgens de wetten van de zwaartekracht in zijn uitvoering van de vliegensvlugge Tarantella uit Liszts Venezia e Napoli.
Jevgeni Kissin, de 41-jarige Rus die tegenwoordig in Parijs woont, zorgde in het Tweede scherzo van Chopin voor een sensatie. De Steinway werd onder zijn handen een symfonieorkest, waarin evenveel ruimte was voor tinkelende harpen en zoete violen als voor daverende koperblazers.
En de mystery guest, de negende Meester? Dat was Alfred Brendel, de oude titaan die 3½ jaar geleden afscheid nam in de serie en nu niet optrad als pianist maar als verteller van zijn eigen, absurdistische verhalen. Zijn Duits gekleurde Engels was moeilijk te volgen, maar uit flarden viel op te maken dat het ging over een pianist met een extra wijsvinger, het verschil tussen gerookte en gekookte piano’s en ‘the famous house of Bösenstein’. Aan het slot van zijn optreden legde hij toch nog één vinger op een toets van de Steinway, op de plek met de magische klank voor pianisten van over de hele wereld – het podium van de serie Meesterpianisten.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 13 maart 2012

Licht op Bulsink


Componist Wilbert Bulsink

Cage, Termos, Janssen, Padding, Bulsink. René Eckhardt, Doris Hochscheid, ASKO|Schönberg o.l.v. Bas Wiegers. Licht: Floriaan Ganzevoort. Amsterdam, Muziekgebouw aan ’t IJ, 8/3. Uitzending op 22/3 via Radio4.
Als de musici van het ASKO|Schönberg op het punt staan te beginnen aan Expres(s), een stuk van Paul Termos, gaat ineens het zaallicht aan. Op het podium wordt het op datzelfde moment donker. Even denk je aan een dronken technicus, maar als voor de inzet van een werk van Martijn Padding zoeklichten in de gezichten van het publiek schijnen, weet je: dit is geënsceneerde ongemakkelijkheid, bedoeld als opmaat voor Dust storm, een nieuwe compositie van Wilbert Bulsink (1983).
Samen met lichtontwerper Floriaan Ganzevoort heeft hij zich verdiept in de manier waarop geluid en licht de perceptie van een ruimte kunnen veranderen. Ganzevoort liet Bulsink zijn filmpjes zien van zandstormen in Texas. Op het eerste gezicht zijn het statische beelden: de storm sluipt uit een onbeweeglijke horizon naderbij, maar ineens zie je niets meer en is je besef van tijd en afstand verdwenen.
Hun samenwerking heeft een fascinerend stuk opgeleverd dat fris afsteekt tegen de vertrouwd ontregelende werken van ASKO-huiscomponisten Termos, Janssen en Padding. Bulsink proeft de afzonderlijke smaken van een fluit, een trombone, klarinet, cello en stapelt ze op elkaar tot ze samen één stijgende lijn vormen. Daaronder zoemt een laagje strijkers. Terwijl de musici spelen, glijden lichten langs een piano, een groepje blazers, een clubje slagwerkers. Anderen moeten zich in het donker zien te redden op hun snaren en toetsen. Bulsink laat dezelfde stijgende lijn van gedaante veranderen met andere instrumentencombinaties en uitmonden in een onwerkelijke, spookachtig hoge viool. Ver in de diepte zuchten een contrabas en een cello. In een korte epiloog schijnt fel tl-licht op het publiek. De musici spelen in het donker een scherp akkoord dat langzaam een andere kleur aanneemt – en ineens is het allemaal voorbij.
Jammer dat ook het geniale Concerto for Prepared Piano and Chamber Orchestra van John Cage aan de speciale effecten moest geloven. Het kreeg een lichtbad van zinloos gemeen groen. Dat had gelukkig geen invloed op de uitstekende uitvoering van het ASKO|Schönberg en dirigent Bas Wiegers of op de razend knap gespeelde solopartij van René Eckhardt.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 10 maart 2012

donderdag 23 februari 2012

Multitalent Ryan Wigglesworth

Ryan Wigglesworth

Mozart, Beethoven, Ravel, Wigglesworth. Claire Booth, Gordan Nikolic, Nederlands Kamerorkest o.l.v. Ryan Wigglesworth. Amsterdam, Muziekgebouw aan ’t IJ, 17/2.
Van de huiscomponist heette het programma waarmee het Nederlands Kamerorkest dit weekeinde de Grote Zaal van het Muziekgebouw aan ’t IJ uitverkocht. Goed dat ze de naam van die huiscomponist in het midden hebben gelaten, want wie heeft er in Nederland nu gehoord van Ryan Wigglesworth? Die naam zingt hoogstens rond in kringen van fanatieke volgers van het laatste nieuws in de internationale componistenscene of bij bezoekers van de Britse operahuizen, waar hij geregeld als dirigent te zien is.
Dit seizoen zetten het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Nederlands Kamerorkest Wigglesworth in het zonnetje. Zijn composities zijn goed nieuws voor muziekliefhebbers met een dissonantenfobie. De 32-jarige Brit schrijft noten die ver afstaan van de afschrikwekkende abstractie van de modernisten en hun volgelingen. Zijn muziek hangt soms achterover naar Russen als Sjostakovitsj en Prokofjev maar kijkt veel vaker vooruit. Dan verrast hij met dezelfde kwaliteiten die hem als dirigent ver boven het modale niveau uittillen: zijn feilloze gevoel voor spanningsopbouw en zijn neus voor onverwachte klankcombinaties. In zijn Vioolconcert, briljant gespeeld door Gordan Nikolic, was het begin direct al magisch: kalme, lage viooltonen die een verrassend fundament krijgen van een stevig geplukte harp. Verderop beleed hij zijn liefde voor een stoere basis, met contrafagot – mooi ingekleurd met opnieuw die harp – en goed geschreven contrabaspartijen.
Maar hij is meer dan een componist. Hij dirigeert en speelt uitstekend piano – dat alles liefst op één avond. Als pianist begeleidde hij met een clubje musici uit het orkest de sopraan Claire Booth, die in Mozarts concertaria Ch’io mi scordi di te, demonstreerde hoe geweldig het werkt als je zo’n veeleisend stuk vanuit de grootst mogelijke eenvoud benadert. Haar vibrato was opvallend spaarzaam maar haar toon fonkelde en gloeide. De pianofortepartij, waarschijnlijk geschreven voor Mozart zelf – er wordt gemonkeld over een romance tussen de componist en de sopraan voor wie hij de aria componeerde – viel ruim uit op de concertvleugel, zeker in verhouding met de tere klanken van de vier strijkers, klarinetten, fagotten en hoorns. Jammer, want Wigglesworth toonde zich ook als pianist een begeleider die kleuren en sterktes fijnzinnig op elkaar afstemt.
Vanachter de piano leidde hij Ravels Trois poèmes de Stéphane Mallarmé, met een handjevol musici uit het orkest als kamermuziekpartners en opnieuw de toverachtige eenvoud van de stem van Claire Booth. Het slot van de avond was voor Beethoven. Diens Tweede symfonie buitelde als een pasgeboren veulen over het podium. Ryan Wigglesworth, die naam vergeten we niet meer.
Op 19, 20 en 22 mei speelt het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Marc Albrecht in het Concertgebouw Ryan Wigglesworth’ compositie Sternenfall.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 21 februari 2012

zondag 19 februari 2012

Interview met countertenor Philippe Jaroussky



 Philippe Jaroussky foto Thomas Laisné/Corbis

Op grote hoogte

Countertenor Philippe Jaroussky (34) is een buitenbeentje in het vak. Terwijl de meeste van zijn collega’s zich veilig houden bij het repertoire dat ooit is bedoeld voor castraatstemmen, gaat hij een flinke stap verder. In de deftige Parijse Salle Gaveau zingt hij met barokgroep L’Arpeggiata, aangevuld met volkszangers en een vurige danseres, een kruising tussen barok en Zuid-Amerikaanse volksmuziek. Het publiek stampt en jubelt. Zondagmiddag is hij in het Amsterdamse Concertgebouw weer terug bij het barokrepertoire dat we van countertenors gewend zijn.
‘Nooit gedacht dat ik nog eens Besame mucho zou zingen in de concertzaal’, zegt Philippe Jaroussky de ochtend na zijn optreden. In de glazen kantoorruimte van Virgin Classics klinkt zijn spreekstem melodieus maar van een countertenorhoogte is niets te bespeuren.
‘Niet-klassieke luisteraars verleiden? Nee, daar gaat het me niet om. Zuid-Amerikaanse muziek voelt als frisse lucht. Ik vind het heerlijk om die nummers op mijn eigen manier te zingen, eenvoudig, dicht bij de tekst. In een opera of op een concert zing ik zonder microfoon. Hier kan ik me, dankzij de microfoon, concentreren op de smaak van ieder woord.’
Hij doet wel vaker dingen die je niet van een man met zijn stemtype verwacht. Negentiende-eeuwse Franse mélodies zingen bijvoorbeeld: liederen die zijn geschreven voor een mannenstem die ook klinkt als een mannenstem. Of nieuwe muziek van Marc-André Dalbavie. Of het Pie Jesu uit het Requiem van Fauré, dat meestal wordt gezongen door een vrouwenstem of een jongenssopraan.
Puristen vinden het maar niks, zo’n countertenor die de hele muziekgeschiedenis als zijn domein beschouwt, ongeacht of het historisch verantwoord is. Jaroussky haalt zijn schouders op over die kritiek. ‘Ik vind dat ik af en toe ander repertoire mag uitproberen, gewoon omdat ik het fijn vind.’
Kritische geluiden of niet, de naam van Jaroussky staat garant voor volle zalen en uitverkochte schappen in de cd-winkels. Wie zijn naam op YouTube intypt kan zien dat hij met een aria van Vivaldi meer hits scoort dan Madonna met Material Girl. Ongetwijfeld werkt zijn uiterlijk – een combinatie van stoere mannelijkheid en een kwetsbare oogopslag – daaraan mee, en zeker de intrigerende tegenstelling van die verschijning met zijn onwerkelijk hoge stem.
Om die stem gezond te houden consulteert hij nog wekelijks de zangdocente die hem voor het vak klaarstoomde. Zelfs als hij ver van huis is, zingt hij haar voor, desnoods via de telefoon. Als er een probleem is, hoort ze onmiddellijk waar de schoen wringt en zet ze hem met een paar adviezen weer op het goede spoor. Zijn geheim: ‘Ik wil zingen zonder kracht op mijn stem te zetten. Fragiliteit, naaktheid laten zien. Als je iemand hoort zingen met een mooie stem, heel geacheveerd en zorgvuldig uitgewerkt, kan dat een geweldige esthetische ervaring opleveren. Maar als je dieper wilt gaan, wilt afdalen tot in de emotionele onderlagen, moet je als zanger ook je kwetsbaarheid laten horen. Dat is voor mij de echte kunst. Vooral in opera’s vind ik dat een hele toer.
Dirigenten en vooral regisseurs in de operawereld willen passie zien. Tijdens een concert waar het alleen om de muziek gaat, is dat geen probleem. In een opera komt daar het acteren bij. Het blijft voor mij moeilijk een scheiding te maken tussen wat ik met mijn stem en wat ik met mijn lichaam doe. Dat kunnen in een opera soms totaal verschillende dingen zijn. Als ik woedend mijn rivaal moet doodsteken mag mijn stem die spanning niet overnemen.’
Ondanks die reserves staat Philippe Jaroussky binnenkort als Sesto in ‘Giulio Cesare’, de opera van Handel, met naast hem Cecilia Bartoli, Anne Sofie von Otter en Andreas Scholl. Bartoli heeft hem persoonlijk uitgenodigd voor haar eerste voorstelling als artistiek leider van de Osterfestspiele in Salzburg. ‘Opera is een wereld op zich. Je moet de regisseur met wie je werkt volledig vertrouwen. Zelfs als hij je vraagt te simuleren dat je seks hebt of als je wordt geslagen moet je daar niet te veel bij stilstaan maar heel fysiek doen wat hij van je wil. Voor mij is dat een langdurig proces. Het kost me weken voordat ik me op mijn gemak ga voelen in een rol, ook in die van Sesto. Hondsmoeilijk vind ik het. Maar opera wordt steeds belangrijker voor me, juist omdat het me een heel nieuw palet aan ervaringen geeft.’
Het was een opera-aria die Jaroussky op het spoor van het zingen zette. Thuis in Maisons-Laffitte, een plaatsje ten noordwesten van Parijs, hadden zijn ouders en zijn tien jaar oudere broer niet bijzonder veel belangstelling voor muziek, maar af en toe draaide zijn moeder een opname van Maria Callas. Casta diva, uit Bellini’s opera Norma schalde dan door de kamers. De kleine Philippe galmde mee en haalde gemakkelijk de hoge sopraannoten. Later, toen hij op vioolles ging, ontdekte hij dat hij de vioolmelodieën moeiteloos kon nazingen. Hij nam zanglessen en twee jaar nadat hij zijn viooldiploma haalde, ging zijn zangcarrière van start. Op zijn twintigste had hij zijn eerste optreden in het buitenland. Sindsdien heeft hij de hele wereld gezien.
‘Het mooie is dat je je op veel plaatsen thuis gaat voelen. Je krijgt vrienden in Amsterdam, Berlijn, Londen maar nu, na meer dan tien jaar reizen van hot naar her gaat er iets wringen. Ik begin steeds meer moeite te krijgen met de keerzijde van deze manier van leven.  Vooral tijdens een recitaltournee zit ik in een cocon, zonder contact met de echte wereld. Eigenlijk is het volkomen insane. Ik ben alleen bezig met mijn stem. Ik zit op mijn hotelkamer, krijg een maaltijd van de roomservice, ik slaap, sta laat op, ga naar de repetitie, geef een concert, stap de volgende dag weer in het vliegtuig en dan begint het opnieuw. Gekkenwerk.  
Dat ligt deels aan het fenomeen recital: een moderne concertvorm waarin je wel twaalf of dertien hoogtepunten uit opera’s zingt of evenzoveel liederen. In de barok bestond dat niet. De castraten van toen zongen vrijwel alleen in operaproducties, met maximaal vijf of zes aria’s op een avond. Met het Freiburger Barockorchester deed ik laatst acht concerten in twee weken. Je bent dan alleen bezig met je stem: drinken, slapen, reizen, eten, oppassen dat je je stem niet vermoeit. Dat hou je niet langer dan twee weken achtereen vol. Eigenlijk zou ik niet meer dan vijf of zes concerten achter elkaar moeten doen en dan minimaal een week pauze houden. Dat fysieke, de uitputting die je soms voelt hoort bij het vak. Daar moet je tegen kunnen. Mensen komen ook daarvoor naar de concertzaal – niet alleen voor de kunst of om ontroerd te worden. Ze willen een zanger zien met lef, die de grenzen opzoekt van wat hij kan. Die spannende kant van een optreden, daar hou ik wel van.’
En toch dwalen zijn gedachten steeds vaker af. Hoe zou een alledaagser leven eruit zien? Hoe voelt het om te reizen als anonieme toerist? Mensen te ontmoeten die niet weten dat je een beroemde zanger bent? Jaroussky heeft zijn besluit genomen. Volgend jaar gaat het roer rigoureus om. Hij wil afstand nemen van het podium en trekt daar acht maanden voor uit: nadenken, uitrusten, reizen en, vooral, mensen ontmoeten. ‘Ik voel nu dat sommige mensen met me bevriend willen zijn om de verkeerde redenen. Daar heb ik moeite mee. In die acht maanden wil ik een normaal, basaal leven leiden. Ik ben niet mijn stem. Er zijn ook andere dingen om mee bezig te zijn. Het is verwarrend: als je hebt gezongen krijg je veel positieve energie van het publiek. Op dat moment denk je dat dát genoeg is om je te voeden, maar je hebt meer nodig, ook om verderop in je carrière iets aan het publiek terug te kunnen geven. Misschien, hopelijk ontdek ik nieuwe dingen die er echt toe doen.’
Philippe Jaroussky en het Freiburger Barockorchester. Aria’s van Handel. Zondag 19 februari in het Concertgebouw, Amsterdam. Aanvang: 14.15 uur.

Niet langer surrogaatcastraat
‘Niets in de muziek is zo mooi als een frisse, jonge castraat’, vond de schrijver en kunstcriticus Wilhelm Heinse (1749-1803). Hij kon het weten, want hij had de hoge stemmen van die zangers uitgebreid beluisterd. Een castraat was in zijn tijd meer dan een hoge, goed geschoolde mannenstem. Hij was de personificatie van het hogere, bovennatuurlijke.
Met de opkomst van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk laaide vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw de belangstelling voor de hoog zingende man opnieuw op. Tegenwoordig komt er geen scalpel meer aan te pas en heet hij countertenor. Deze mannelijk alt, mezzo-sopraan of sopraan komt met zijn strakke toon waarschijnlijk het dichtst bij de klank van een castraatstem, al zul je vergeefs zoeken naar een zanger als Baldassare Ferri (1610-1680), die op één adem de 24 tonen van twee chromatische toonladders kon zingen en bovendien nog op elk van die tonen een lange triller maakte. Ook onder castraten was dat uitzonderlijk. De enige opname die van een castraatstem is bewaard laat een kwelende Alessandro Moreschi horen – een triest makend document uit 1902 dat dankzij YouTube voor iedereen toegankelijk is.  
De castratencultus was begonnen met een kerkelijke wet ‘Mulier taceat in ecclesia’ – de vrouw heeft in de kerk te zwijgen. Maar juist in de kerkelijke gezangen wilde men de Allerhoogste eren in de allerhoogste tonen. Paus Clemens VIII (1592-1605) had de oplossing: het castreren van jongens die in een kerkkoor zouden gaan zingen werd toegestaan ‘ad honorem Dei’. Een kleine ingreep bij de zangertjes maakte het onmogelijke mogelijk. Op volwassen leeftijd combineerden castraten de kracht van een man met de hoogte van een vrouw. Hun intensieve en langdurige training bestond uit zanglessen maar ook uit oefeningen in uithoudingsvermogen. Ze leerden langdurig, tot minuten lang, hun adem in te houden en trainden de kracht van hun stem op lawaaiige marktpleinen, allemaal in de hoop zo ver te komen als hun helden Farinelli, Senesino, Carestini. De beste castraten waren supersterren die zich riant lieten betalen door hun rijke broodheren en componisten zo lieten schrijven dat hun stem het beste uitkwam. Bij de vrouwen waren ze om een andere reden in trek. Zij lieten zich graag verwennen door een man die wel als man functioneerde maar bij wie het risico op een zwangerschap nihil was. Schrijnend detail: de armste buurten van Napels waren met tienduizenden castraatjes topleveranciers. Rijkdom en een sterrenstatus was maar voor een enkeling weggelegd – de meesten verdwenen in de anonimiteit. Ze moesten leven met een vrouwelijker lichaam dan acceptabel was in de volkswijken en werden bespot om hun afwijkende uiterlijk.        
Veel beter vergaat het de countertenoren van nu. Ze zijn veelgevraagd en de opleidingen spelen daarop in. Tegenwoordig leveren de conservatoria counters die zingen in sopraanligging, mezzo-sopraanligging en altligging. De karakters van hun stemmen zijn zo verschillend dat de barokopera Artaserse van Leonardo Vinci dit jaar zelfs wordt uitgevoerd met uitsluitend hoge mannenstemmen. De ontwikkeling gaat nog verder. Moderne componisten hebben de countertenor ontdekt. Een pionier als Philippe Jaroussky is er blij mee. Marc-André Dalbavie schreef voor hem een liederencyclus en ook Suzanne Giraud had zijn stem voor ogen toen ze haar opera over het leven van Caravaggio componeerde. De countertenor heeft zich eindelijk losgezongen van het imago van surrogaatcastraat.

de Volkskrant, 17 februari 2012