donderdag 17 januari 2013

Juraj Valcuha, een dirigent om in de gaten te houden



Weber, Barber, Rachmaninov. Sol Gabetta, Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Juraj Valcuha.
Terwijl het Koninklijk Concertgebouworkest nog nagloeit van zijn tournee met de Let Andris Nelsons (33), schuift er alweer een nieuwe dirigent aan in het rijtje debutanten dat het orkest aan zijn publiek wil voorstellen: Juraj Valcuha, geboren in het Slowaakse Bratislava, getraind door de fameuze Ilya Musin en Jorma Panula en nu, op zijn 35ste, chef bij het Orchestra Sinfonica Nazionale della RAI in Turijn. Hij was eerder te gast bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest en maakte kilometers bij een hele trits belangrijke internationale orkesten en operahuizen.

Met de Argentijnse celliste Sol Gabetta naast zich schoten de vonken tussen het orkest en de soliste over en weer. Samen lieten ze zich verleiden door de Zuid-Amerikaanse ritmes in het Celloconcert van Samuel Barber. Gabetta, 30 en eveneens debuterend bij KCO, wisselde het ruig ritmische af met een toon die hoog en licht naar violen geurde. Van het langzame deel maakte ze een pas de deux met de hobo en, verderop, met de trompet: intieme onderonsjes in een compositie die de veelkleurigheid van het Amerika in de jaren veertig hoorbaar maakt.

De zaal juichte, zeker na Gabetta's toegift uit The book van Peteris Vasks waarin ineens tussen de nerveuze celloklanken een heldere sopraanstem priemt. Die bleek afkomstig van Gabetta zelf als een persoonlijk statement van een vrouw die haar rol als musicus graag uitbreidt naar die van performer. In Webers Ouverture Euryanthe hoorde je Valcuha-de-operadirigent aan het werk. In het koper vielen helden te ontdekken, de strijkers preekten passie en door het hele stuk schemerde de dreiging van de onderwereld. Deed je je ogen open, dan zag je een stram bewegende maestro die zijn musici weinig ruimte liet.

Als pièce de résistence koos hij Rachmaninovs Derde symfonie, waarin de lijnen als bladerdeeg worden uitgerold en laagje voor laagje op elkaar gestapeld. Daarin moet je het als luisteraar hebben van een dirigent die je de weg wijst: díe hobomelodie, díe altvioollijn, luister daar eens naar. Dat deed Valcuha in de snelle delen te weinig en daarmee verspeelde hij de aandacht van zijn publiek. Maar in het langzame deel stond er ineens een andere Valcuha. Het dirigeerstokje bleef ongebruikt. Met zijn blote rechterhand maakte hij direct contact met de musici in vloeiende, soepele bewegingen en ineens werd duidelijk waarom we deze man de komende jaren in de gaten moeten houden. Ondersteund door flexibele, nauwkeurig gekozen tempi maakte hij strakke lijnen die precies zo ver doorveerden dat ze niet stijf werden. Kom daar maar eens om, bij een dirigent van midden dertig.
de Volkskrant, 3 december 2011

dinsdag 15 januari 2013

Geen keelschrapers of neussnuiters bij Iván Fischer



Wie een kaart had gekocht voor het Boedapest Festival Orkest werd in het Concertgebouw verrast door vier saxofonisten op het podium. Lady be good speelden ze. Lekker swingend, mooie timing. Pas daarna schoven de orkestmusici aan, in een halve cirkel rond het saxofoonkwartet. Ze zetten in: de Mars uit Sjostakovitjs’ Suite voor variété-orkest, waarin ook de saxofonisten een rol hebben. Pas toen het stuk al was begonnen daalde Iván Fischer, oprichter en chef-dirigent van de Boedapesters, de trap naar het podium af.
Voor Fischer is de gebruikelijke sfeer van keurige ingetogenheid in de concertzaal niet heilig. Die houding sloeg over op het publiek. De etiquette - niet klappen tussen de delen van één compositie - viel weg en ook het vaste legertje keelschrapers, neussnuiters en hoestsnoepjeszoekers hield zich gedeist. Zelden was het Concertgebouwpubliek zo stil. Alle aandacht was gericht op een virtuoze xylofoonsolo of een wervelende tamboerijn in Sjostakovitsj’ Suite die met veel applaus en gefluit werden toegejuicht.
Pas toen de violiste Liza Ferschtman in een wolk van paarse stof haar entree maakte sloeg de uitgelaten sfeer om. Op de lessenaars stond de Serenade van Leonard Bernstein, een vioolconcert uit de tijd vóór West Side Story waarin Bernstein heeft geprobeerd de liefde volgens oude Grieken als Phaedrus en Aristophanes in klank te vangen.
Ferschtman begon te spelen, zacht en bezwerend, met een toon die je dwingt mee te gaan in de enkele vioollijn waarmee de Serenade begint – een lofrede op de liefdesgod Eros. Maar de liefde liet ook andere kanten horen. Schor en ver weg klonk de viool als Ferschtman een demper op haar snaren zette. De zinnen werden afgekapt, er doken climaxen op en felle tegenstellingen. Met een schitterend gedoseerd vibrato versmolt de viool met het orkest. Het slot zit vol jazzinvloeden: blue notes en een solo op contrabas. Bruisend en in waaghalzig tempo buitelden Ferschtman en het orkest naar een hoogtepunt toe.
Na de pauze luisterde Ferschtman op het frontbalkon naar de Tweede symfonie van Rachmaninov waarin Fischer de uitersten in de compositie scherp tegenover elkaar zette. Maar de grootste attractie was de klank van het Boedapest Festival Orkest. Die lijkt in de meest robuuste passages op één overdonderende geluidsexplosie maar als je goed luistert hoor je daarbinnen alle kleurige bouwsteentjes waaruit die klank is opgebouwd.              
Het Boedapest Festival Orkest gaat deze week met Liza Ferschtman op tournee naar Newark, New York en Montreal. Ferschtman vervangt Janine Jansen, die op doktersadvies rust neemt.
Rachmaninov, Sjostakovitsj, Bernstein. Liza Ferschtman, Boedapest Festival Orkest o.l.v. Iván Fischer. Amsterdam, Concertgebouw, 13/1. 
de Volkskrant, 15 januari 2013

maandag 14 januari 2013

Owen Wingrave, angstaanjagend psychologisch drama



Opera Trionfo, het piepkleine gezelschap uit Haarlem, heeft een primeur. Met een nieuwe productie van Owen Wingrave brengt het Benjamin Brittens televisieopera in geënsceneerde vorm op de planken. Dat is voor het eerst, in Nederland.
De opera, in 1970 geschreven voor de BBC televisie, werd destijds kritisch ontvangen. Hij lijkt te draaien om een van Brittens stokpaardjes: zijn weerzin tegen wapengekletter. Owen Wingrave is een jonge officier in opleiding die alles heeft wat een toekomstige legerleider zich kan wensen: moed, visie, de juiste militaire genen. Maar in de stem van bariton Karel Ludvik, vertolker van de titelrol, hoor je al een kwetsbaarheid die anders is dan de stoere tenorklank van zijn maat (Mark Omvlee). Hij besluit zijn geweer aan de wilgen te hangen. Zijn omgeving is ontzet en probeert hem op andere gedachten te brengen. En dan neemt het verhaal een verrassende wending. Juist uit de militaire wereld krijgt hij  begrip en warmte. De veroordeling van Owen Wingrave komt uit een andere hoek. De compositie met het stempel ‘anti-oorlogsopera’ ontwikkelt zich tot een veellagig psychologisch drama.
Je kon het al zien aankomen. Het toneelbeeld van Gary McCann wordt gedomineerd door schilderijlijsten. Ze zijn leeg. Je zou er militaire kopstukken bij kunnen verzinnen, of een adellijke familie. Soms breekt die gezichtsloze portrettenverzameling open. Dan verschijnt de rood uitgelichte kamerhoge tronie van een oude voorvader van Owen Wingrave.
De regisseur Floris Visser suggereert maar vult niet veel in. Dat werkt indrukwekkend goed, alleen al als tegenwicht voor de muziek. Die spreekt duidelijke taal. Met pauken en een kleine trom, een fagot en een hoorn voorspellen Ed Spanjaard en de musici van het Nieuw Ensemble al in de eerste maten onheil.
Intussen overheerst op het podium het grijs van de wanden, de stoelen, een tafel. Als Wingrave zijn familie op het landgoed Paramore op de hoogte brengt van zijn besluit zijn de vrouwen, in uniform zwart, nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Een schelle, harde stem, daaraan herken je de tante van de ouderloze Owen – beangstigend realistisch neergezet door Francis van Broekhuizen. De begripvolle vrouw van Owens docent aan de academie straalt met de romige toon van Bauwien van der Meer warmte uit. Zijn verloofde Kate (Anna Traub) heeft hysterie in haar hoge register. Maar het angstaanjagendst is een onzichtbaar kinderkoor. Dat duikt af en toe op met een simpel archaïsch melodietje en een tekst die als een mantra telkens opnieuw voorspelt: Paramore shall welcome woe.
De familie worstelt met de beslissing van Wingrave, ook de oude generaal in zijn rolstoel, krachtig gespeeld door Bernard Loonen. Meesterlijke vondst: als ze aan tafel gaan en stil zijn voor hun gebed verschiet de kamer naar een kleurloos grijsblauw. De muziek wordt stil gelegd met lange, lage tonen. Stuk voor stuk komen de familieleden aan bod met hun persoonlijke gedachten.
Maar als het licht weer aan gaat, vormen ze één wreed front. Links staat Owen, rechts het zwarte machtsblok dat hem zijn trouw aan zijn eigen opvattingen niet vergeeft. Scherp als een vuurpeloton verstoten ze de man die schande brengt over het oude geslacht.
Twee aaneengesloten uren lang voert Opera Trionfo je met milde hand mee naar de horror van het slot van Owen Wingrave, een opera die lang verborgen is gebleven maar die zich kan meten met de beste werken die Benjamin Britten heeft geschreven. 
Benjamin Britten: Owen Wingrave (kamermuziekbewerking van David Matthews). Opera Trionfo. Regie: Floris Visser. Solisten, Nieuw Amsterdamse Kinderkoor, Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard. Haarlem, 11/1. Tournee: Groningen, Den Haag, Heerenveen, Arnhem, Heerlen, Amsterdam, Rotterdam, Utrecht.
de Volkskrant, 14 januari 2013

woensdag 12 december 2012

'Doornroosje krijgt geen staal maar kale darmen'


Interview met Isabelle Faust

De meeste violen hebben stalen of kunststof snaren. Maar die klinken niet bij elk orkest even mooi. Daarom bespant Isabelle Faust haar Stradivarius zo nu en dan met darmsnaren. Een eigenzinnige keuze die niet zonder risico's is. Het resultaat is opwindend.

 


 'Mijn Stradivarius heeft 150 jaar verstopt gelegen in een kelder, vandaar de naam Sleeping Beauty. Toen ik er voor het eerst op speelde, klonk hij dof en donker, maar er waren een paar tonen die me raakten - alsof er heldere kleuren onder een sterk vervuild schilderij verstopt lagen. Door jarenlang spelen zijn er steeds meer briljante klanken te voorschijn gekomen.'

Op het eerste gezicht is er niets bijzonders aan het concert dat Isabelle Faust (40) geeft in Brugge. In het hypermoderne Concertgebouw in het historische centrum staat het Vioolconcert van Brahms op het programma, hetzelfde als op haar laatste cd. Daarop klinkt het majesteitelijk waar het zo bedoeld is, met een violiste die het voortouw neemt.
In Brugge is alles anders. Daar ontspringt de rivier van noten van haar solopartij niet in haar Stradivarius, maar in het orkest. Haar voorname instrument, bijgenaamd Sleeping Beauty, voegt zich bij de strijkers van het Orchestre des Champs-Élysées, en verkleurt soms dienstbaar naar de toon van een hobo of fluit. De vlammen in haar hoge noten slaan minder fel uit dan op de cd, de attractie van het luisteren zit 'm eerder in de ontroering dan in de bewondering.
De ochtend na het concert, bij een gezond ontbijt, reageert ze blij verrast op die ervaring: 'Was het verschil zo groot? Op mijn cd speel ik met het Mahler Chamber Orchestra, een orkest met moderne instrumenten. Daar past de klank van mijn moderne viool prachtig bij. Als ik speelde met orkesten met historische instrumenten, zoals het Orchestre des Champs-Élysées, begon ik me steeds meer te storen aan de karakterverschillen tussen de klank van het orkest en die van mijn viool. Tijdens deze tournee heb ik er voor het eerst een drastische conclusie aan durven verbinden. De stalen snaren van mijn viool heb ik vervangen door darmsnaren.'
Voordat ze die beslissing kon nemen, had ze een lange weg van experimenteren te gaan. De riante kleurmogelijkheden van haar Stradivarius wilde ze niet kwijt en ook haar moderne strijkstok bleef. Als ze die zou inwisselen voor een barokstok, zou ze afscheid moeten nemen van het grote virtuozenrepertoire uit de 19de eeuw. Dat was geen optie voor rasvioliste Faust. Ze begon ook in die werken uit de romantiek te zoeken naar andere klankmogelijkheden en bespande haar instrument met darmsnaren, waarop gewoonlijk alleen violisten uit de historische muziekpraktijk spelen - een riskante keuze, zeker omdat Faust ze weer inruilt voor staalsnaren als ze met een 'gewoon' symfonieorkest werkt. Darmsnaren zijn dan geen optie, omdat ze daarmee kopje onder gaat in de veel grotere orkestklank.
Met dat tweesporenbeleid steekt ze haar nek uit. Zeker als een viool net is bespannen met naakte, poreuze darmsnaren, raakt hij bij de kleinste vocht- en temperatuurschommeling ontstemd. Maar daar staat veel tegenover. Een milde toon en een gelijkwaardiger communicatie met de orkestmusici bijvoorbeeld. Die blijken een geweldig effect te hebben op het niveau van een uitvoering.
Isabelle Faust, geboren in Esslingen, bij Stuttgart, maakt eigenzinnige keuzes, niet alleen met haar viool, ook in kleding en repertoire. Met haar kortgeknipte haar en een garderobe zonder naaldhakken of avondjurken is ze het tegendeel van de stereotiepe vioolbabe en ook in het repertoire dat ze kiest is ze minder gericht op scoren bij een groot publiek dan op haar persoonlijke muzikale voorliefdes. Deze week is ze met de pianist Alexander Melnikov en de cellist Alexander Rudin in Gent, Maastricht en Tilburg voor kamermuziekconcerten. In Nederland was ze nog maar sporadisch te horen. We kennen haar vooral van een stroom cd's: Bach, Beethoven, Brahms, maar ook minder bekende werken van Chausson, Jolivet, Martinu, Bartók en, volgende maand, Carl Maria von Weber.
Na een pijlsnelle start met een internationaal opererend jeugdkwartet won ze op haar 15de een concours. Ze stopte met haar kamermuziekclubje om als soliste te gaan spelen bij orkesten, maar de kwartetervaring had zich toen al in haar genen genesteld. Ze was daar gewend de tweede viool te spelen, een tussenstem die kleur toevoegt en onder de veel prominentere eerste viool ligt. Die aandacht voor de gelaagdheid van een compositie is nog altijd te horen in de manier waarop ze aanhaakt bij de tussentinten in een orkest.
Met die sensitieve houding viel ze op, eerst in Duitsland, later in Frankrijk, waar ze jaren heeft gewoond en waar ze vrienden voor het leven ontmoette. Een van hen is de befaamde cellist Jean-Guihen Queyras. 'In 1996 mocht Jean-Guihen een cd opnemen bij Harmonia Mundi. Ze vroegen hem met welke violist hij het liefst wilde spelen en hij stelde mij voor. Zo ben ik bij Harmonia Mundi terechtgekomen. Een paar jaar later heb ik daar op mijn beurt Sasja (de pianist Alexander Melnikov - BL) geïntroduceerd. Harmonia Mundi was toen nog een klein label dat goed moest oppassen hoe het budget werd besteed, maar als je een goed idee had, kreeg je alle kansen.'
'Met mijn nieuwe cd, hij ligt vanaf januari in de winkels, steken ze opnieuw hun nek uit. Sasja speelt op hammerklavier, ik opnieuw op darmsnaren. We hebben de cd gewijd aan totaal onbekende werken van Carl Maria von Weber (1786-1826), die bekend is door zijn opera's Der Freischütz en Oberon, maar veel minder als kamermuziekcomponist. Dat zou een grote maatschappij niet snel doen, maar muzikaal gezien zijn ze echt een ontdekking. Ik heb ze na afloop van een concert gekregen van de uitgever, in plaats van bloemen. Daarna hebben ze meer dan twintig jaar in een kast gelegen. Ik vond ze boeiend genoeg, maar het kwam er niet van er serieus mee aan de slag te gaan. Pas toen ik een van de stukken als toegift ging spelen, ontdekte ik de echte waarde ervan. Het bleken weergaloos mooie composities. Voor de cd hebben we er een pianokwartet van Weber bij gevonden. Dat doet niet veel onder voor een Mozartkwartet, met drama, humor, diepgang - een stuk dat stáát, zeker als je het speelt op darmsnaren.'
Isabelle Faust speelt vanavond in Gent, op 13/12 in Maastricht en op 14/12 in Tilburg.

Oud en nieuw: beluister zelf het verschil

Wat de elektrische gitaar is voor de rockmuziek, is de viool voor de klassieke muziek: een solistisch kanon dat een oerschreeuw kan voortbrengen die rechtstreeks uit de ziel komt. De idolen van de viool heetten Viotti en Paganini.
De impact van het instrument en zijn bespelers was zo groot dat vooral aan Paganini (1782-1840) duivelse krachten werden toeschreven. Meisjes vielen flauw tijdens zijn concerten, toehoorders waren geschokt door de uitzinnige passie van zijn spel. Een deel van die aantrekkingskracht zit 'm in de kracht van de viooltoon. Die had net een drastische metamorfose ondergaan.
Tot dan toe was de klank van een viool vrij bescheiden. Maar toen na de Franse Revolutie de deuren naar concerten open zwaaiden voor een groep nieuwe luisteraars, ontstond behoefte aan grotere zalen. Componisten begonnen te experimenteren met grotere orkesten.
Veel van de violen van Stradivarius, Guarneri en andere bouwers werden rigoureus aangepast aan de nieuwe eisen. De krul, het uiteinde met de stemknoppen, werd afgezaagd en aan een nieuwe, langere hals gezet. De kam, die de afstand van de snaren tot de kast bepaalt, werd verhoogd, de toets - het gedeelte waarop de vingers staan - verlengd en de hoek van de kast ten opzichte van de hals vergroot.
Bovendien werden de snaren strakker aangedraaid en kregen de instrumenten zo een hogere stemming. Door de grotere spanning op de snaren werd de toon penetranter. Voor de snaren werd nieuw materiaal gebruikt. De poreuze schapendarmen maakten plaats voor staal en later kunststof. Daarmee veranderde het karakter van de toon nog ingrijpender: van ruw en intiem werd hij glanzend en briljant.

Stuiterstreken

De duivelskunst van Paganini was nog aan een andere ontwikkeling te danken: die van de strijkstok. Die is van oorsprong recht, maar het lukte de Parijse stokkenbouwer François Tourte (1747-1835) een model te ontwikkelen met gebogen hout, waardoor de haren op de stok op spanning kwamen te staan. De invloed van Tourte was enorm. Met zijn model strijkstok werden razendsnelle stuiterstreken mogelijk. Zeker Paganini ging als een uitzinnige tekeer op zijn instrument: hoger dan ooit voor mogelijk werd gehouden klommen zijn vingers op de toets, en de composities die hij schreef, waren voor niemand anders speelbaar. Generaties componisten gebruikten de virtuoze technieken waarvoor hij de basis had gelegd.
Op YouTube is dat goed te horen op dit filmpje van de violiste Hilary Hahn: bit.ly/VAwRG1

Revival

De oude barokviolen verdwenen uit het muziekleven. Pas in de jaren zestig ontstond opnieuw belangstelling voor de manier waarop de composities hadden geklonken in de tijd van hun ontstaan.
Er ontstond een school van musici die zich specialiseerde in het spelen op historische instrumenten. Rachel Podger en Andrew Manze komen daaruit voort. Met hun barokviolen en barokstrijkstokken spelen ze muziek uit de tijd van Bach en Mozart.
Op dit filmpje is Rachel Podger in Bachs Sonate BWV 1001 te horen op een historische viool en een barokstrijkstok: bit.ly/12j1FRA
Luister ook naar Janine Jansen in dezelfde sonate op een 'moderne' viool en stok: bit.ly/ST8fv2

Moderne Faust

Met een barokviool en een barokstok stuit je bij de virtuoze concerten van componisten als Paganini, Brahms, Tsjaikovski, Sibelius op onoverkomelijke hindernissen. De snel stuiterende streken in die composities zijn met een barokstok onspeelbaar, de hoogste noten zijn op een barokviool nauwelijks te realiseren. Wie in dat repertoire toch de sfeer zoekt van een oud ensemble, kan niet verder gaan dan Isabelle Faust: de stalen of kunststof snaren vervangen door schapendarmen. Hier speelt Isabelle Faust op haar Stradivarius en haar moderne Tourtestrijkstok in het langzame deel van Beethovens Sonate op. 12 nr. 2: bit.ly/QTNvn8

Biëlla Luttmer de Volkskrant, 12 december 2012

woensdag 5 december 2012

Bernarda Fink - onder de gepolijste oppervlakte gloort passie


Bernarda Fink, de Argentijnse mezzosopraan van Sloveense komaf, associeer je niet onmiddellijk met passie. Toch brengt ze op haar nieuwe cd een overzicht van de belangrijkste Spaanse liedcomponisten, degenen die met hun canciones repertoire wilden schrijven dat overeind bleef naast de Lieder uit Duitsland en de Mélodies uit Frankrijk.
Manuel de Falla en Enrique Granados, beiden geboren in 1876, laten het Spaanse temperament knetteren met uitnodigende ritmen en klaaglijke melodieën. Joaquín Rodrigo, uit 1901, dwaalt af naar modernere, minder tonale wegen.
Fink legt de loper uit, ook voor die lastiger begaanbare routes. Met haar donker golvende stem, die onder de oppervlakte wel degelijk passie laat horen, blijkt ze een ideale ambassadeur voor de canciones. Haar partner, pianist Anthony Spiri, neemt flamboyante dansritmen voor zijn rekening en brengt spannende details aan. De zang van een koekoek bijvoorbeeld, die discreet tussen de pianonootjes kwettert.
Falla, Granados, Rodrigo. Bernarda Fink, Anthony Spiri. Harmonia Mundi. 
de Volkskrant, 5 december 2012

woensdag 28 november 2012

De laatste beetjes Toscanini



Arturo Toscanini was de eerste dirigent die gebruik maakte van de media. Vanaf 1945 werden de concerten van zijn New York Philharmonic Orchestra iedere zondagmiddag via de radio uitgezonden. Violist Yehudi Menuhin: ‘Ze droegen onmiskenbaar het stempel van Toscanini, zijn precisie,zijn natuurlijke tempi – alles was zo scherp gedefinieerd als je je maar kon voorstellen. Dat was zijn grootheid.’
Een fragment uit Verdi's Quattro pezzi sacri afkomstig uit de nalatenschap van Toscanini
Vanmiddag wordt bij Sotheby’s in Londen een belangrijk gedeelte van de erfenis van Arturo Toscanini (1867-1957) geveild. Toscanini wordt door kenners gezien als een van de grootste dirigenten aller tijden. De te veilen collectie, bestaande uit 88 lots, is grotendeels afkomstig uit de nalatenschap van Toscanini’s kleinzoon Walfredo en omvat dirigeerstokken, een Steinwayvleugel, manchetknopen, een schrijfset, Toscanini’s muziektas met initialen, een karikatuur van en door de legendarische tenor Enrico Caruso en handschriften en brieven van belangrijke componisten. Zijn partituren met waardevolle aantekeningen ontbreken. Na Toscanini’s dood zijn ze door de familie geschonken aan de Public Library for the Performing Arts in New York, de stad waar de dirigent jarenlang het New York Philharmonic heeft geleid en waar hij is gestorven.
Veel van de dirigeerstokken die worden aangeboden dragen de sporen van Toscanini’s temperament. Ze zijn gebutst en soms geknakt door het vuur waarmee de 'maestrissimo' dirigeerde. ‘Het merendeel van de stukken is niet eerder voor publiek toegankelijk geweest’, zegt dr. Stephen Roe, bij Sotheby’s verantwoordelijk voor de Toscaniniveiling. ‘Het is met grote waarschijnlijkheid het laatste substantiële bezit afkomstig uit de familie.’
Brieven en handschriften van componisten laten Toscanini’s persoonlijke voorkeuren zien: Beethoven (een humoristische reactie op lovende woorden van de dichter en botanicus Baptist Rupprecht) en tijdgenoten als Verdi, Puccini, Wagner, Debussy en Richard Strauss.
Sommige van de handschriften geven inzicht in de ontstaansgeschiedenis van belangrijke composities.  Drie vroege schetsen van de openingsmaten van Falstaff bijvoorbeeld, de laatste opera van Giuseppe Verdi, met doorhalingen en eerste aanzetten van ideeën, of het complete handschrift van Quattro pezzi sacri, een koorwerk uit Verdi’s late periode. Een van de opmerkelijkste documenten is een verloren gewaand manuscript van Felix Mendelssohns ouverture Die schöne Melusine, een verjaarscadeau van de pianist Rudolf Serkin aan Toscanini. Volgens Stephen Roe is het handschrift nog nooit door wetenschappers bestudeerd.
Een emotionele brief van de componist Richard Strauss illustreert de situatie vlak na de Tweede Wereldoorlog. Terwijl Strauss in Zwitserland wacht op zijn denazificatie dirigeert Toscanini zijn compositie Tod und Verklärung. Ondanks hun tegengestelde houding tijdens de oorlog - Strauss was een notoire opportunist, Toscanini verzette zich fel tegen de fascisten en de nazi's en weigerde te dirigeren in Duitsland, Italië en Oostenrijk - bleef Toscanini het werk van Strauss uitvoeren: 'Voor Strauss de componist neem ik mijn hoed af. Voor Strauss de mens zet ik hem weer op.'
Stephen Roe verwacht op de veiling veel fans van de dirigent, maar ook vertegenwoordigers van musea en bibliotheken.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 28 november 2012

vrijdag 23 november 2012

Eenheid Heras-Casado en Lewis geeft ook orkestleden vleugels


Op je 35ste verjaardag debuteren met het Concertgebouworkest, een mooier cadeau kun je je als dirigent niet voorstellen. Het overkwam de Spanjaard Pablo Heras-Casado, een maestro zonder dirigeerstokje maar met handen die poëzie kunnen oproepen. Tegelijkertijd bieden ze een niet mis te verstane duidelijkheid op de plekken waar een orkest behoefte heeft aan een gids. Die uitzonderlijke combinatie leidde hem naar een eredivisiespeler als de Berliner Philharmoniker maar ook naar fijnproeversensembles als het Freiburger Barockorchester en het Parijse Ensemble InterContemporain.
Zijn kracht kwam het best uit de verf in Le tombeau de Couperin, een cyclus van vier barokdansen waarmee Maurice Ravel een monument heeft opgericht voor zijn gesneuvelde kameraden in de Eerste Wereldoorlog. Heras-Casado werkte de dansritmen schitterend uit, met goed doordachte tempokeuzen die zijn achtergrond in de oudemuziekpraktijk verrieden. Met de Prélude maakt hij een vliegende start, waarna hij in de Forlane en het Menuet juist de karakteristieke traagheid van de ritmische bewegingen uitlichtte.
Minder ontwikkeld is zijn grip op de orkestklank in de passages waar het complete ensemble aan zet is. In Mendelssohns Vierde 'Italiaanse' symfonie priemde er op zulke momenten te weinig licht door de noten. Dat viel extra op doordat Heras-Casado de lichter geïnstrumenteerde plekken juist wel zorgvuldig en gedetailleerd doseerde.
Voor het 23ste pianoconcert van Mozart schoof een tweede nieuwkomer aan op het podium: de Londense pianist Paul Lewis (40). Met een spannende ritmische bite gaf hij tegen het einde van zijn solopassages het stokje door aan het orkest. In het tweede deel, een van de aangrijpendste langzame delen uit de geschiedenis, bereikten Lewis en Heras-Casado een verbluffende eenheid, die ook de orkestleden vleugels gaf. Zeldzaam gaaf was het moment waarop fluit en fagot met elkaar samensmolten tot één rijk gekleurde stem. Als een dirigent zijn musici zo kan inspireren, vergeef je hem zijn minder ontwikkelde kanten met liefde.
Mozart, Mendelssohn, Ravel. Paul Lewis, Koninklijk Concertgebouw-orkest o.l.v. Pablo Heras-Casado. Amsterdam, Concertgebouw, 21/11.
de Volkskrant, 23 november 2012