maandag 18 maart 2013

Von Eckardstein en broers Jussen lokken jong publiek naar de Doelen


Severin von Eckardstein

De Doelen krijgt voor elkaar waar iedere concertzaal van droomt: een vol huis met een opvallend groot aandeel jonge gezichten. Het zijn fans van de pianobroers Jussen, die met hun 16 en 19 jaar geboekt staan voor concerten in de Verenigde Staten en Japan en een platencontract hebben bij het sjieke label Deutsche Grammophon. In Rotterdam speelde Arthur, de jongste, Schumanns cyclus Papillons. Zijn broer Lucas tekende voor Schuberts late Impromptu in Bes.
Hun spel werd in perspectief gezet door Severin von Eckardstein (34), niet de opzichtigste maar zeker een van de interessantste pianisten van onze tijd. Zo beroemd als de werken die bij de Jussens op de lessenaar stonden, zo obscuur zijn Schumanns Romances en Von Eckardsteins selectie uit Bunte Blätter: een verzameling korte stukjes, soms kliekjes die overbleven van andere projecten, maar ook een kerstcadeau voor Schumanns prille liefde Clara Wieck. Met die kwetsbare noten begon Von Eckardstein het recital. Bijna onmerkbaar leidde hij je van stilte naar klank, een glijdende schaal waarbij je de grenzen nauwelijks nog kon waarnemen.
Daar tegenover zette hij pianobewerkingen van fragmenten uit Der Ring des Nibelungen en Tristan und Isolde van Wagner, uit de bloeitijd van de negentiende-eeuwse klaviervirtuozen. Tussen de van kleur verschietende tinten uit een andere wereld liet hij ineens een groep aards dampende koperblazers uit de piano opdoemen. Brutaal marcheerde die dwars door de zorgvuldig opgebouwde droomwolken heen. Die eigenzinnigheid is typisch Severin von Eckardstein. Zijn spel dringt zich niet op maar zijn interpretaties zijn zo krachtig dat ze eindeloos in je hoofd blijven naklinken.          
Onontkoombaar dat je na de Schumann van Von Eckardstein de Schumann van Arthur Jussen langs een lat legt die te hoog is voor een jongen van 16. De jongste van de broers zette de uiteenlopende karakters in Papillons liefdevol neer maar raakte ze nog niet allemaal vol in het hart. Lucas Jussen is verder. Hij gaf Schuberts Impromptu een opvallend hoog gehalte aan diepzinnigheid en vloeiende zangkracht. In Ma mère l’oye, Ravels sprookjescyclus voor twee pianisten, kwam het knisperende enthousiasme van de broers samen. Bij alle succes gaat het hun nog altijd om het plezier in de muziek. Dat ruik je, dat voel je, dat neem je mee naar huis.    
Biëlla Luttmer
Lucas en Arthur Jussen

Schubert, Schumann, Wagner/Brassin, Wagner/Moszkowski, Ravel. Severin von Eckardstein, Arthur & Lucas Jussen. Rotterdam, de Doelen, 6/3. Uitzending: 10/3 via Radio 4.
de Volkskrant, 12 maart 2013

woensdag 6 maart 2013

Maria Joao Pires zonder privéperikelen


Een live optreden van de Portugese pianiste Maria Joao Pires is altijd spannend – allereerst vanwege haar onovertroffen toon, maar direct daarna door de incidenten die telkens opnieuw op haar pad komen: een verkeerd concert ingestudeerd, tijdens het koken een van haar kostbare vingers verwond aan een visgraat, zorgen om een ontvoerd pleegkind. Op haar cd’s vallen die privéperikelen weg. Dan hoor je enkel de toverklank die ze uit haar Steinway laat vloeien, en de kalme concentratie die de uitvoeringen van de gerijpte Pires tot een weldadige ervaring maken. Over haar werk aan de Sonates D 845 en D 960, Schuberts laatste, zegt ze zelf: ‘Als je aan een stuk gaat werken, kun je er je eigen interpretatie op loslaten. Of je doet het tegendeel: je laat het stuk zoals het is en bent er alleen mee bezig het te leren kennen.’ Dat laatste blijkt minstens zo boeiend.
Biëlla Luttmer

Maria Joao Pires
Schubert: Sonate D845 en D960
Deutsche Grammophon

de Volkskrant, 6 maart 2013

Simón Bolívar String Quartet, de nieuwe telg van El Sistema


Opnieuw laat El Sistema van zich horen. In dit Venezolaanse muziekonderwijsprogramma krijgt ieder kind de kans te leren zingen, viool te spelen, te dirigeren. Het Simón Bolivar Jeugdorkest komt eruit voort en de inmiddels wereldberoemde dirigent Gustavo Dudamel. Nu is er het SBSQ: het Simón Bolivar String Quartet, samengesteld uit aanvoerders van de strijkersgroepen in het Jeugdorkest. Ze steken op hun debuut-cd veilig van wal met het Eerste strijkkwartet van Alberto Ginastera, een Zuid-Amerikaanse componist die tintelende noten schreef die bij het SBSQ nog een extra ritmische laag krijgen. Maar de Venezolaanse jongeren zijn wereldburgers. Ze voelen ook nauwkeurig aan wat de Tsjech Antonín Dvorák te zeggen had in zijn ‘Amerikaanse’ strijkkwartet en waar het de muziek van Sjostakovitsj om draait. Ze geven zijn Achtste strijkkwartet een ongebruikelijk lichte toon waardoor de wrange bijsmaak van de compositie niet prominent op de voorgrond treedt maar, als een onbestemd gevoel, door de klanken heen schemert.
Biëlla Luttmer

SBSQ
Ginastera, Dvorák, Sjostakovitsj
Deutsche Grammophon

de Volkskrant, 6 maart 2013

Wesendoncklieder gedijen bij mannenklank


Het is Wagnerjaar, en dat zullen we weten. De platenmaatschappijen putten zich uit in nieuwe opnamen met, vooral, de highlights uit zijn oeuvre. Na de tenor Klaus Florian Vogt, als altijd indrukwekkend onnadrukkelijk, laat zijn collega Jonas Kaufmann horen hoe hij zich verhoudt tot de componist van Lohengrin en Der Ring des Nibelungen. Als Siegmund zingt hij zich los van het orkest en roept hij zo lang en hartverscheurend om zijn vader Wälse dat je de pijn van de ouderloos dolende jongen mee voelt. Verrassend is zijn keuze voor de Wesendonck-lieder, die gewoonlijk door een vrouw worden gezongen. ‘Het geslacht van de zanger staat nergens in de tekst’, verklaart Kaufmann in het cd-boekje. Opmerkelijk, want vaak staan ze vermeld als Fünf Gedichte für eine Frauenstimme. Kaufmann zet soms net iets te veel kracht, maar met het Orkest van de Deutsche Oper Berlin en dirigent Donald Runnicles laat hij overtuigend horen dat de liederen geweldig gedijen bij zijn rijke, mannelijke geluid.
Biëlla Luttmer

Jonas Kaufmann, Orchester der deutschen Oper Berlin o.l.v. Donald Runnicles
Richard Wagner
Decca

de Volkskrant, 6 maart 2013

donderdag 28 februari 2013

Marie-Claire Alain (1926-2013) - kleine vrouw die de muren van kathedralen liet beven


Wanneer ze de eeuwenoude muren van de Haarlemse St. Bavo liet beven onder de klanken van het kerkorgel, was het moeilijk te geloven dat zij het was, Marie-Claire Alain, een kleine vrouw in mantelpak, die het immense apparaat van blaasbalgen, slangen en pijpen had bespeeld. 
Gisteravond is bekend gemaakt dat de Franse organiste en musicologe, 'de koningin van het orgel', is overleden. Ze is 86 jaar geworden.

Marie-Claire Alain was geliefd om haar transparante, emotionele spel. Duizenden concerten gaf ze en tot vlak voor haar dood speelde ze 's zondags nog tweemaal tijdens de kerkdienst. In Nederland trad ze meer dan eens op, in de Groningse Martinikerk of tijdens de Haarlemse Orgelmaand.

Voor Marie-Claire Alain sprak het vanzelf dat ze orgel ging spelen. Thuis in Saint-Germain-en-Laye, bij Parijs, was haar vader organist en amateur-orgelbouwer. Het instrument waarop ze leerde spelen had hij zelf gebouwd. Iedere avond klonk er Bach - op het orgel of gezongen door haar oudere broers en zus. Van haar oudste broer, de componist Jehan Alain, kreeg ze haar eerste orgellessen en op haar 11de gaf ze haar eerste concert.

Ze speelde werken van de oude Buxtehude tot haar tijdgenoot Messiaen maar haar grote liefde bleef de muziek van Johann Sebastian Bach, de componist met wie ze was opgegroeid. 'Bach was bijna een familieziekte', bekende ze tijdens een interview.

Sinds het begin van de jaren vijftig maakte ze meer dan 260 grammofoonplaten en cd's van de grote orgelwerken uit de geschiedenis - beginnend met composities van Bach die nog niet eerder op plaat waren gezet. Ze nam daarna de complete orgelwerken van Bach op, maar toen ze zich had verdiept in zijn handschriften en vingerzettingen, kwam ze op andere ideeën. Ze zou nog tweemaal haar visie op zijn werken bijstellen en die nieuwe inzichten op de plaat vastleggen.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 27 februari 2013

dinsdag 26 februari 2013

Opera en subsidieduimschroeven gaan slecht samen


Hete tranen van de IJslander Johann Valdimarsson
Als de nieuwe productie van Opera Zuid iets duidelijk maakt, is het dat opera en subsidieduimschroeven niet met elkaar te verenigen zijn. Miranda van Kralingen, die de scepter zwaait over het Limburgse gezelschap, knokt als een leeuwin voor haar Opera Zuid. Om te bezuinigen heeft ze zelf de regie van I pagliacci op zich genomen. Daaruit spreekt een meer dan professionele betrokkenheid bij het reizende gezelschap. Maar Van Kralingen, een uitstekende sopraan en een door de wol geverfde stemmenkenner, is nog geen regisseur.

Het concept dat ze samen met Nynke van den Bergh heeft bedacht is aantrekkelijk. Het verhaal, over een rondreizende artiestentroep die een dorp in Calabrië aandoet, hebben ze verlevendigd met circusacts. Het toneelbeeld, met een trap die naar de kade van het dorp voert, is mooi gekozen. En dat de muziek onder de proloogtekst afkomstig is uit Cavalleria Rusticana, die andere icoon van het verismo, hoeft allerminst een nadeel te zijn. Pagliacci en Cavalleria zijn bijna een twee-eenheid - ze worden niet voor niets meestal op één avond gespeeld.

Maar de circusartiesten zijn amateurs, studenten aan de circusopleiding van het Rotterdams Conservatorium. Ze zijn zo serieus bezig met het opgooien van een knots of het vangen van een acrobate dat ze vergeten dat er publiek bij zit dat vermaakt wil worden, in de zaal van het Theater aan het Vrijthof maar ook in het dorp uit de opera. Hetzelfde geldt voor de professionele zangers. De Nederlandse sopraan Fenna Ograjensek - een kleine, maar zuivere stem - zingt haar rol van Nedda, de vrouw achter wie alle mannen aan hollen, alsof het gaat om een seksloze schooljuf. Het hitsige manvolk doet een dribbeltje hier en een kreetje daar, maar nergens zie je dat het recht uit het hart komt. Erger: je hoort het zelfs niet. Ze zingen zo braaf en gedwee dat je gaat verlangen naar een minder keurige minnaar.

Die komt er ook. Uitgerekend Canio, de man met de dikke buik die door Nedda wordt bedrogen, is de enige vent wiens bloed niet lauw door zijn aderen stroomt. Johann Valdimarsson, nota bene geboren in IJsland, lapt de keurigheid aan zijn laars en gooit zijn verdriet en zijn frustratie er met volle overtuiging uit. Dan hindert het niet dat hij geen echte heldentenor is - die zijn niet alleen voor Opera Zuid onbetaalbaar. We zien de tranen van een man die de clown speelt, maar die onder zijn clownspak de pijn voelt van een bedrogen echtgenoot. Als hij zijn grote aria 'Vesti la giubba' zingt en daarna huilt en toch weer lacht, geloof je hem.

In het koor zijn de amateurs weer aan zet. Ze studeren nog aan het conservatorium en waren tijdens de première nog niet helemaal op dreef. Het kostte de dirigent Per-Otto Johansson moeite de vaart in de voorstelling te houden en de leden van het Limburgs Symfonieorkest niet te laten indutten. Nu was de trompetsolo die hij zelf uitvoerde een van de lichtpuntjes van de avond. Het is te hopen dat er onder de hooggeplaatste dames en heren in het publiek een gulle nieuwe subsidieverstrekker opstaat. Miranda van Kralingen verdient het. Opera Zuid verdient het.
Leoncavallo: Pagliacci. Regie: Miranda van Kralingen en Nynke van den Bergh. Decor: Douwe Hibma. Met Johann Valdimarsson, Fenna Ograjensek, Martijn Sanders, Elmar Gilbertsson, Willem de Vries, Limburgs Symfonieorkest o.l.v. Per-Otto Johansson. Maastricht, Theater aan het Vrijthof, 22/2. Tournee tot 23/3.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 25 februari 2013

vrijdag 22 februari 2013

Weg met de tijd - interview met Andreas Staier



Vergankelijkheid en stilstand. In muziek kun je het laten horen, meent Andreas Staier. Zondag speelt hij in het Concertgebouw in Amsterdam. 
Als Andreas Staier (57) aan een uitvoering werkt, kan het zomaar gebeuren dat hij de piano- of klavecimbelpartij weg schuift. Midden in het stuk legt hij de noten van de componist naast zich neer. Zijn blik dwaalt af en dan, ineens, gaat de muziek verder. En toch ook niet. De vorm en het karakter blijven maar Staier kiest zijn noten zelf. Improviserend zoekt hij een eigen, unieke weg om toegang te krijgen tot de wereld van een componist die honderden jaren geleden leefde. Het past bij de frisse, experimenteergrage musicus die niets voor vanzelfsprekend aanneemt. 
‘Het helpt, dat improviseren. Het maakt dingen eenvoudiger’, legt hij uit aan de ontbijttafel in zijn Antwerpse hotel. ‘Een componist schrijft zijn stuk, zet zijn noten op papier. Maar die noten zijn maar het topje van de ijsberg, het stukje wat je aan de oppervlakte ziet. Natuurlijk kun je – plok – zo’n noot spelen. Maar er is meer. Als ik aan een stuk begin, weet ik nog niet precies wat dat is, maar ik ga ernaar op zoek. Ik zet de muziek stop en ga vragen stellen: zo, en hoe zou ík dit stuk nu verder hebben gecomponeerd? Er zijn in een compositie dingen die je van tevoren hoort aankomen maar je komt ook op plekken die een andere kant op gaan. Dat spel met verwachtingen is het wezen van muziek, van een kunst die zich in de tijd ontwikkelt. Je verwachtingen worden bevestigd, maar soms juist niet. Dan gebeurt er plotseling iets anders. Ineens is er een schok, of een gekke wending. Om dat levendiger te voelen, om dichterbij de muziek te komen, kan improvisatie een prima middel zijn.’
Hij heeft het zich zelf aangeleerd, al als student piano aan het conservatorium van Hannover. Later kwam daar klavecimbel bij, en compositie. De jaren zeventig waren net begonnen. Vooral in de klavecimbelklas trof je de buitenbeentjes: kritische studenten die zich niet op hun gemak voelden in het wereldje van aankomende solisten die niets liever wilden dan rondreizen met een klein stapeltje beroemde concerten in hun koffer. In Nederland waren Gustav Leonhardt, Frans Brüggen en Ton Koopman al bezig een nieuwe relatie met het muzikale erfgoed op te bouwen. In Duitsland werd de student Staier onmiddellijk geraakt door die ontwikkelingen. Juist de barokmuziek vond hij aantrekkelijk. Daar was niet alles in nootjes vastgelegd. De baspartijen werden aangegeven met cijfers, vergelijkbaar met de akkoordsymbolen in de popmuziek en de jazz. Welke nootjes je daar precies bij zocht, moest je zelf bedenken. Dat zoeken naar een eigen invulling van een compositie bleek hem op het lijf geschreven.
Je hoort het nog altijd in zijn spel. Aan een vliegensvlug versierinkje hier en een trillertje daar, maar vooral aan de vrijheid die hij neemt, de manier waarop hij een maat uitrekt, en waarop hij een melodie stopzet. Bij Staier spreekt niets vanzelf. Ook in een concert van Mozart of een fuga van Bach haalt hij onopgemerkte kanten naar boven. Hij is een avonturier gebleven, een vrije geest die de randen opzoekt – de gebieden waar het spannend wordt.
Daar maakt hij niet uitsluitend vrienden mee. Maniërisme en Selbstverliebtheit krijgt hij soms voor de voeten geworpen. Maar verliefd op zichzelf? Zo komt hij niet over, niet op het podium en niet aan de ontbijttafel van zijn Antwerpse hotel. Daar zet hij kanttekeningen bij het succes van de avond ervoor, toen hij met de Oostenrijkse bariton Georg Nigl optrad in Amuz, de voormalige Sint-Augustinuskerk die tegenwoordig dienst doet als concertzaal. De fortepiano van de Parijse bouwer Érard was niet optimaal afgeregeld. Als je in het midden van de piano een toets indrukte, klonken er soms twee tonen in plaats van één.
‘Érard heeft de laatste grote stap gezet naar de ontwikkeling van de moderne piano. Zijn dubbele repetitiemechaniek, waarmee je snel dezelfde toon kan herhalen, is lastig te reguleren. Het liefst speel ik zo’n programma met liederen van Schubert en Schumann op mijn eigen instrument maar ik aarzel om dat mee te nemen naar concerten, zeker in de winter. Vorig jaar was het plotseling -20 graden. Dan zijn niet de besneeuwde wegen het gevaarlijkst maar de ruimtes waarin je speelt. De luchtvochtigheid daalt er soms tot 15%. Als je een instrument daar 24 uur aan blootstelt heb je grote kans dat de resonsansbodem scheurt. Dat is me eenmaal gebeurd. Het klinkt whrááááf, als een aardbeving. Ik ben me rot geschrokken.’
Zijn avontuurlijke houding klinkt door in de cd’s en de concertprogramma’s die hij samenstelt. In Nederland kon je hem Bach horen spelen op klavecimbel. Maar er was meer. De preludes en fuga’s uit Das wohltemperirte Clavier wisselde hij af met preludes en fuga’s uit de twintigste eeuw van de Rus Dmitri Sjostakovitsj. Staiers voormalige leerling Alexander Melnikov speelde ze op een Bechsteinvleugel uit Sjostakovitsj’ tijd. Spannende confrontaties leverde dat op, waar Bachs heldere structuren nog pregnanter door klonken. En dwars door Sjostakovitsj’ koortsige passie heen hoorde je zijn liefde voor Bach glinsteren.
Op zijn nieuwste cd …pour passer la mélancolie kiest Staier opnieuw voor het klavecimbel. De Franse en Duitse klavecimbelwerken uit de 17e eeuw van Froberger, Louis Couperin, D’Anglebert hebben een gemeenschappelijk thema: vergankelijkheid. Het idee ontstond tijdens een tentoonstelling van vanitasschilderijen in Parijs.

‘Op die tentoonstelling zag ik bijvoorbeeld een schilderij van George de la Tour. Daarop zie je een kaars. Die brandt nog, maar je vermoedt dat dat niet lang meer zal duren. Het idee om die schilderijen, die tombeaus, te verbinden met muziek bleef door mijn hoofd spoken en ik ontdekte dat er aardig wat composities zijn die hetzelfde met muzikale middelen uitdrukken. Dat is niet vreemd. Muziek is bij uitstek de kunst die zich in de tijd afspeelt. Vergankelijkheid, iets wat ophoudt te bestaan, aarzeling, stilstand, je kunt het er allemaal in laten horen.’
Bij Staier gaat dat aarzelen ver. Hij neemt zoveel vrijheden dat hij de muziek soms zo letterlijk stil zet en de spanningsboog bijna laat knappen. Dat is riskant. Als luisteraar bereik je het punt waarop je dreigt af te haken maar net als een stuk uit elkaar valt, grijpt hij je vast en trekt je opnieuw de compositie in. Na afloop besef je dat hij je heeft verleid, dat je ver over je eigen grenzen bent heen gegaan.  
‘Muziek is geen optelsom van halve noten, hele noten, kwartnoten. Muziek is uitdrukkingskunst. Je probeert er gevoelens mee aan te duiden. In de twintigste eeuw, de tijd van de Nieuwe Zakelijkheid, is het idee ontstaan dat een noot precies zo en zo lang moest worden aangehouden. Dat was voor pakweg 1920 niet het geval. Er zijn veel opnamen uit die tijd bewaard gebleven van Rachmaninov en van leerlingen van Schumann en Chopin. Je hoort dan direct hoe weinig afgepast hun spel is. Natuurlijk zullen we nooit weten hoe componisten in de 17e eeuw hebben gespeeld maar je kan wel lezen hoe bijvoorbeeld Froberger, een van de componisten op mijn cd, met tijd omging. Hij nam vrijheden die niemand hem kon nadoen. Dat is natuurlijk ontmoedigend. 300 jaar later kun je het hem waarschijnlijk pas écht niet nadoen. Maar je ziet het ook aan de manier waarop de muziek werd opgeschreven. De Fransen uit die tijd noteren hun preludes helemaal zonder notenwaarden. Louis Couperin schrijft alleen hele noten. De ritmische uitvoering daarvan laat hij over aan de speler. Het is interessant dat juist die omgang met tijd, in het midden van de 17e eeuw een heel grote vrijheid en differentiëring vroeg. 100 jaar later leggen componisten de ritmes in hun stukken veel meer vast.’  
‘De invloed van de oudemuziekpraktijk op het muziekleven, ook op moderne orkesten, is niet meer weg te denken. Ik vermoed dat het die levendigheid is die aanspreekt. Daarom zijn de musici van het Concertgebouworkest zo enthousiast als er een oudemuziekman als Nikolaus Harnoncourt komt dirigeren. Maar er zijn grenzen aan wat je op moderne instrumenten kunt uitvoeren. Als ik het Melancholieprogramma op een Steinwayvleugel zou spelen, zou je nog horen dat het geniale muziek is, maar er zouden ook dingen verloren gaan. De klavecimbel is een zo ritmisch gedefinieerd instrument dat het ideaal is om daarop een gevoel van aarzeling, leegte uit te drukken – alleen al doordat de klank ineens weg is. Dat bereik je niet op een moderne vleugel. En dan besef je: hee, het is niet toevallig dat dit juist voor klavecimbel geschreven is. En dat is niet alleen omdat de moderne piano nog niet was uitgevonden. Het zou ook met, zeg, een hobokwartet of een strijkkwartet niet functioneren. Het is geschreven voor een instrument dat heel specifiek op bepaalde klanken reageert. Als je dat verandert, werkt het lang zo sterk niet. Je kiest niet voor authentieke instrumenten omdat ze zo authentiek zijn maar omdat je daarop dingen muzikaal het beste kan overbrengen.’
Ondanks die grote vlucht van de oude muziek is Staier niet onverdeeld positief over de laatste ontwikkelingen. Zondag speelt hij in het Concertgebouw een pianoconcert van Mozart op fortepiano. Er is nauwelijks muziek die zo rijk is als die van Mozart, dat vindt hij zelf ook. Maar waar blijven de klavecimbelconcerten? En de uitvoeringen van de vele onbekende werken die ook zeer de moeite waard zijn?
‘Concertorganisatoren zijn voorzichtig en ik heb de indruk dat de belangstelling voor klavecimbel afneemt. Zo krijg ik niet vaak de mogelijkheid het Melancholieprogramma te spelen. Áls je klavecimbel speelt, wil de organisator altijd een stuk van Bach horen. Hij is bang dat er anders niemand komt. De historische uitvoeringspraktijk is gemeengoed geworden maar over de toekomst ben ik niet al te optimistisch. Er is vooral winst geboekt bij de mainstream van de Weense klassieken: Haydn, en vooral Mozart en Beethoven. Onbekende componisten uit die periode, of werken uit de 17e eeuw, daar wil niemand zijn vingers aan branden, jammer genoeg. Als ik een soloprogramma speel, kan ik er wel een onbekend werk in naar binnensmokkelen. Met een orkest is het anders. Ik heb een schitterend concert opgenomen van Dussek, met Concerto Köln: groot bezet als een Beethovensymfonie en dus even duur om uit te voeren. We proberen die compositie al jaren op het podium te brengen maar het is ons nog geen enkele keer gelukt. Concertorganisatoren zeggen: als jullie toch met zoveel mensen komen, hebben we liever Beethoven. Daar komt meer publiek op af. Maar ik ga door. Volgend seizoen probeer ik opnieuw dit concert van Dussek in de concertzaal te spelen. Dat is me heel wat waard.’   

Historisch correct is geen doel op zich
‘Het voegt niet veel toe als je probeert te reconstrueren hoe muziek 200 jaar geleden heeft geklonken. Die 200 jaar zijn voorbij. Interessanter wordt het wanneer je muziek probeert te spreken zoals die misschien, misschíén, destijds werd gesproken. Het maakt je uitvoering levendiger en precies dat is de waarde van de historische uitvoeringspraktijk: die toename van levendigheid. Je wil iets beleven bij een concert. Als het je verveelt, maakt het niet uit of een uitvoering historisch correct is of niet.’


Luistertips
…pour passer la mélancolie – klavecimbelmuziek uit het Frankrijk en Duitsland van de 17e eeuw
Diabelli Variations – de variaties die Beethoven over een walsje van Diabelli maakte én die van een aantal andere componisten, gespeeld op fortepiano
Sei concerti – klavecimbelconcerten van muziekvernieuwer Carl Philipp Emanuel Bach, met het Freiburger Barockorchester
Hamburg 1734 – tijdsbeeld-op-klavecimbel van het achttiende-eeuwse Hamburg, centrum van muzikale vrijdenkers
Robert Schumann: hommage à Bach – Waldszenen, Kinderszenen en meer op Érardvleugel
Alle cd's zijn verschenen bij Harmonia Mundi.

Zondag speelt Andreas Staier in het Concertgebouw met de Akademie für Alte Musik Berlin. Zondagochtendconcert, 11 uur. Rechtstreekse uitzending via Radio 4.

Biëlla Luttmer

de Volkskrant, 22 februari 2013