dinsdag 7 april 2015

Haitinks orkest is fijnmazig zenuwstelsel

Berg, Wagner, Mahler. Anne Schwanewilms, Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Bernard Haitink. Amsterdam, Concertgebouw, 6/9. Vanavond NPO 2, 24 uur.
Zestig jaar geleden stond Bernard Haitink voor het eerst voor het Radio Filharmonisch Orkest. Het was de zomer van 1954, het dirigentenconcours van de Nederlandse Radio Unie was in volle gang en de jonge Haitink dirigeerde Vorspiel en Liebestod, begin en slot van Wagners Tristan und Isolde. De poorten zwaaiden open voor de grootste dirigentencarrière ooit in Nederland: via het Concertgebouworkest ging het naar Londen, Berlijn, Boston, Chicago.
Mooi dat Haitink voor zijn jubileumconcert uit al die wereldnamen het Radio Filharmonisch heeft gekozen, al zullen we nooit weten in hoeverre zijn recente botsing met de directie van het Concertgebouworkest daarbij een rol heeft gespeeld.

Met Vorspiel en Liebestod opende hij ook zijn feestconcert. In de bomvolle Grote Zaal van het Concertgebouw luisterden echtgenote Patricia, kinderen en kleinkinderen naar werken die hem al decennialang begeleiden: Mahlers Vierde, Sieben frühe Lieder van Alban Berg en die verzengende akkoorden van Wagner, waarin verlangen en dood elkaar aanraken.

Wat direct opvalt: het zijn niet de uitersten, het hoog en het laag, die bij Haitink de dienst uitmaken, maar subtiele kleurverschuivingen in de middenregisters. Daar klopt het hart, van daaruit stroomt het bloed naar de fluiten, de hobo's, de fagotten en contrabassen. Voor hem is het symfonieorkest niet één groot klanklichaam maar een fijnmazig zenuwstelsel dat hij met een gedachtenprikkel kan aanzetten tot een oneindig aantal schakeringen - een unicum in de wereld.

In Alban Bergs liederen kiest hij voor halftinten die fraai mengen met de tere wereld die sopraan Anne Schwanewilms aanboort. Verbluffend hoe hij de volle rijkdom van Bergs nog altijd opzienbarende instrumentatie tot bloei laat komen. Je hoort het orkest van symfonieformaat veranderen in een kamerensemble: ineens priemt een trompet door het strijkerstapijt heen.

De Vierde van Mahler is een van Haitinks greatest hits. Meer dan 60 keer dirigeerde hij het werk. Laatst leidde zijn optreden nog tot files in de Londense binnenstad. Toch is er geen spoor van routine. De beginmaten klonken zelfs wat onvast - alsof hij à la minute had besloten het tempo drastisch te verlagen. De musici vingen het liefdevol op en lieten de sledebellen toch nog ritmisch rinkelen. Een jonge, lichtzinnige Mahler werd geboren, met in het tweede deel de sluier van een meesterlijk schrijnende verstemde viool.

Voordat het publiek kon uitbarsten in juichend applaus was er even paniek. Anne Schwanewilms, die in de finale een ode moest brengen aan het hemelse leven, was zoek. Hilariteit toen Haitink met een vragend armgebaar ging zitten op de stoel die voor de sopraan was bedoeld - vlak bij de plek waar hij ooit in hetzelfde orkest de tweede viool had gespeeld.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 8 september 2014


Pierre Audi voert Schönberg zelf op in Gurre-Lieder


opera
Arnold Schönberg: Gurre-Lieder Regie: Pierre Audi
Solisten, Nederlands Philharmonisch Orkest, Koor van De Nationale Opera o.l.v. Marc Albrecht. Amsterdam, Nationale Opera & Ballet, 2/9. Tot 23/9. Live uitzending op 18/9 via NPO Radio4
Op harpklanken glijd je de droomwereld van Gurre-Lieder in, het verhaal van de onmogelijke liefde van de middeleeuwse Deense koning Waldemar voor Tove, een figuur die half vrouw is en half vogel. Een spreekstem voert je naar lengende schaduwen en naar dauwbetraande bloemenogen. Hij werkt als een toverstaf die je meeneemt naar ver weg en lang geleden. Dan verschijnt er, als in een film, een projectie met de naam van de componist, Schönberg, en het jaartal van de première, 1913. Geschilderde strepen worden mistflarden. De eerste enscenering in de honderdjarige geschiedenis van Gurre-Lieder lijkt een productie waarin je comfortabel kunt wegzakken.

Dat duurt maar kort. Het liefdesbed van Waldemar en Tove staat op de binnenplaats van een verlaten fabriekscomplex - betonnen muren, vuile ramen, onkruid. De koning is een gekwelde man met overgewicht die in kimono op de rand van zijn bed zit. Zijn geliefde zingt met haar betoverende stem: 'Al mijn rozen heb ik dood gekust terwijl ik aan jou dacht', maar onderwijl oogt ze als een zeer aardse, rijpe vrouw en Waldemar houdt afstand, alsof het niet over zijn eigen liefde gaat maar over een abstractie daarvan, te ver weg om ooit werkelijkheid te worden.

Om middernacht springt hij in de houding, salueert, trekt zijn koningspak aan. 'Onze tijd is om', zingt hij. Waar het bed stond, verschijnt een boompje - de bladeren vallen, het leven vloeit eruit weg. Koning Waldemar wordt overspoeld door waanbeelden.

Schönberg werkte meer dan tien jaar aan zijn compositie. In die tijd veranderde hij van een traditionele romanticus in de grondlegger van de bij uitstek a-romantische twaalftoonsmuziek. Zover gaat hij in Gurre-Lieder niet, maar aan het slot van het stuk gebruikt hij sprechgesang, het op toon vertellen van een tekst. Dat staat ver verwijderd van de taal waarmee hij begint.

Regisseur Pierre Audi heeft met zijn oer-enscenering van Gurre-Lieder een schitterende, natuurlijke vorm gevonden om die veranderende muziektaal onder één boog te vangen. Daarvoor introduceert hij passages voor spreekstem - magisch ingekleurd door de actrice Sunnyi Melles. Vanaf de proloog gaan zij een verbinding aan met het relatief moderne slot.

In zijn megaproductie - groot podium, enorm orkest, twee koren - legt hij de tegenstelling van de nietige mens en de macht van de natuur onder een vergrootglas. Ook het leger valt onder de natuurmacht. Na de dood van Tove overspoelt het als een verwoestende lavastroom de speelvloer - een overweldigend theatraal moment, dat de dreiging van de Eerste Wereldoorlog voelbaar maakt.

Dirigent Marc Albrecht laat het Nederlands Philharmonisch Orkest virtuoos schakelen tussen droom en werkelijkheid en ook de cast is fenomenaal, allereerst dankzij Burkhard Fritz als Waldemar en Emily Magee als Tove. Maar ook Anna Larsson (Waldtaube), Markus Marquardt (dronken boer) en Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (droomfiguur Klaus Narr) zijn zangers die de magie in het stuk tot grote hoogte opvoeren.

Problematisch is de manier waarop Audi de liefde tussen Waldemar en Tove opvoert. Zelfs in hun droom houden ze afstand, zodat je de indruk krijgt van een middelbaar echtpaar met een bekoeld liefdesleven - niet de gepassioneerde droom waarvoor je je leven zou willen geven.

Aan het slot verschijnt Schönberg zelf op het podium. Meer dan honderd koorleden dragen het tenniskostuum waarin de componist zo vaak is gefotografeerd. Zonnebrillen beschermen hun ogen tegen het licht van de zon, in een verzengende klankorgie waarin het orkest en het koor een laatste keer met elkaar versmelten.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 4 september 2014

Kermes en Genaux vechten elkaar de tent uit



Simone Kermes en Vivica Genaux, sopraan en mezzosopraan, vliegen elkaar in de haren op Rival Queens. Aangevuurd door Cappella Gabetta vechten ze vetes uit die in de 18de eeuw in de operahuizen speelden.
Destijds waren het de Italiaanse supersterren Faustina Bordoni en Francesca Cuzzoni die elkaar in het operamekka Londen naar het leven stonden. Niet de componisten maar de primadonna's regeerden op de podia. Ze eisten steeds hogere noten en halsbrekendere coloraturen.

Op de cd is het Kermes - hoge, klaterende stem - die haar troeven uitspeelt in de topnoten van haar aria uit Porpora's opera Adelaïde. De donker getimbreerde Genaux is de koningin van de sfeer. Als Berenice uit Ariosti's opera Lucio Vero trekt ze je moeiteloos mee in haar verdriet.

Ondanks de bokshandschoenen op de hoes vullen de dames elkaar aan in een respectabel rijtje cd-premières, ook uit Astianatte, de opera van Bononcini waarin de diva's elkaar lang geleden te lijf gingen. 
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 3 september 2014


Rival Queens
Vivica Genaux & Simone Kermes 

Sony

Met de flair van een schalkse vogelvanger


Komend najaar is Jean-Guihen Queyras weer present op de Cellobiënnale in het Muziekgebouw aan 't IJ, maar eerst houdt het Franse cellofenomeen zijn Beethoven-cd ten doop. Samen met Alexander Melnikov, zijn vaste klavierpartner, heeft hij niet alleen de sonates opgenomen maar ook de variaties die Beethoven maakte op werken van andere componisten. Zo is de aftrap voor Mozart. 'Ein Mädchen oder Weibchen', de aria van Papageno uit Die Zauberflöte, werd voor Beethoven het vertrekpunt voor een serie variaties.
Queyras en Melnikov blazen met een minimum aan vibrato en een overvloed aan flair de schalkse vogelvanger leven in. Mooi dat die speelsheid ook in de vijf sonates niet verdwijnt. Dan komt er nog een geniale dimensie bij: die van het fluisterende ruisen en het snelle schakelen tussen duister en licht. Je kunt Beethoven, de man met de grillige persoonlijkheid, bijna aanraken.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 3 september 2014

Beethoven
Jean-Guihen Queyras, Alexander Melnikov 

Harmonia Mundi 

Christine Schornsheim wil meer dan een klavecimbel

Ze oogt bescheiden, maar geef haar een klavecimbel, of liever nog een tangentenvleugel, en Christine Schornsheim laat de snaren kraken. De rondo's en de fantasieën van Carl Philipp Emanuel Bach speelt ze bewust niet op het instrument dat de componist ervoor in gedachten had, de fortepiano. Op een tangentenvleugel, destijds een nieuwe uitvinding, heeft ze een nog grotere baaierd aan klankmogelijkheden tot haar beschikking, meldt ze in het cd-boekje.
Met tangenten, houten staafjes die tegen de snaren slaan, kan ze het geluid van een klavecimbel suggereren maar ook dat van een vroege fortepiano. Ideaal voor Schornsheim, die zo veel mogelijk karakters uit de werken naar voren wil halen. Carl Philipp Emanuel, de Bachzoon van de Sturm und Drang, zou het uitstekend met haar kunnen vinden.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 3 september 2014


Christine Schornsheim
Carl Philipp Emanuel Bach 

Capriccio 

Castellucci's machinale, emotionele Sacre

Dans
Romeo Castellucci: Le Sacre du Printemps. Muziek: Le Sacre du Printemps (Stravinsky) door MusicAeterna o.l.v. Teodor Currentzis (op cd) 
24/8, Gebläsehalle, Landschaftspark Duisburg-Nord

Zodra je de fabriekshal op het voormalige hoogovencomplex in Duisburg binnenstapt, ruik je het: verweerd ijzer, oude olie - herinneringen aan de staalindustrie waar het in het Ruhrgebied decennialang om draaide. Achter een wand van plexiglas hangen de machines, hoog in de zoldering. De trechters en kokers zijn dansers geworden in Romeo Castellucci's choreografie Le sacre du printemps. Of is het anders? Zijn de tonnen beenderstof die ze over de vloer zullen uitstorten de eigenlijke dansers?
Castellucci, de Italiaanse theatermaker, verleidt zijn kijkers met voorstellingen waarin hij zich filosofische vragen stelt. Zijn scheppingsverhaal Genesi kon niet zonder de volledige ontkenning van de schepping: Auschwitz. Zijn Sacre is een voorstelling over het thema achter de Sacre: het offer.

In Stravinsky's oerversie uit 1913 danst een meisje - half kind, half vrouw - zich dood in een kring van wijze mannen. Bij Castellucci ontmoet dit oude heidense vruchtbaarheidsritueel de moderne industrie. Met 6 ton beendermeel, het bodemverbeterende poeder dat ontstaat wanneer het geraamte van runderen wordt fijngemalen, gaat hij de confrontatie aan.

Verwacht bij Castellucci geen steriele voorstelling. Met neonlicht, industriële machines en een orkest dat via een cd en speakers door de fabriekshal schalt, weet hij je direct te raken. 
Op de hoge fagotsolo waarmee Le Sacre begint, dooft het zaallicht. De volle diepte van het podium wordt zichtbaar, verlicht door knipperende rode leds en witte neonbuizen. Als het orkest begint met zijn hortende ritmes, eerst nog licht geïnstrumenteerd, zwaaien de machines sierlijk aan hun rails heen en weer en storten ze brede linten van beenderstof op het podium. Op een fluitsolo schieten dunne slierten ritmisch door de ruimte.

Castellucci is muzikaal. Zijn choreografie maakt zelfs de meerstemmigheid in Stravinsky's compositie voelbaar. De complexe ritmes van het orkest - een pompende grijze stofdouche - combineert hij met grillige, fel witte strepen die pirouettes draaien.

Ineens licht dwars door het stof de grijze achterwand op. Twee horizontale stroken worden zacht ingekleurd tot een monochrome versie van een schilderij van Rothko, dat telkens van intensiteit verschiet.

Uit de speakers klinkt de 'Danse sacrale', het deel van Le sacre waarin de offerdans zich voltrekt. De rails waaraan de machines zijn opgehangen zakken tot ooghoogte. Salvo's stof worden afgevuurd, recht op het publiek af. Ze spatten uiteen tegen de plexiglazen wand, geweervuur en bloed ineen.

Een wit gordijn gaat dicht. Er wordt een technische beschrijving op geprojecteerd van het procédé van de vervaardiging en de toepassing van beenderenmeel. Onder de tekst hoor je de meest agressieve passages uit Stravinsky's stuk - volkomen steriliteit vormt een contrapunt met de heftigste muzikale ervaring.

Het gordijn gaat open. Zeven mannen in witte veiligheidspakken ruimen het terrein - dat kan een landschap zijn waarop een ramp heeft plaatsgevonden, of een fabriek. De muziek is uiteengevallen in ruisklanken. Terwijl de mannen het stof in afvalcontainers scheppen, loop je de hal uit. In het voorbijgaan zie je in de stofbergen stukken schedel, wit van de chemische reinigingsmiddelen. Aan sommige botresten zie je de knobbelige aanzet van hoorns - overlevingsgereedschap dat overbodig is geworden in een gemechaniseerde wereld.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 27 augustus 2014

Mahlers Zesde krijgt mistig slot



Mahler: Zesde symfonie. Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin

19/8, Concertgebouw, Amsterdam

Direct al bij het begin is het raak: rauw raggen de haren van de strijkstokken over de snaren, alsof ze rechtstreeks willen doorstoten naar de klappen van de houten hamer, aan het slot van Mahlers Zesde symfonie. Yannick Nézet-Séguin, chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, straalt met zijn compacte lijf zoveel kracht uit dat hij zijn musici over hun eigen grenzen laat heen spelen. Hij raast door naar de laagste contrabastonen. Pas in de stilte die daarop volgt, laat hij zijn publiek naar adem happen.
Mahlers Zesde, zijn 'Tragische', dat is gesublimeerde angst, pijn, wanhoop. 'Als zweepslagen, als een woedeuitbarsting, als een klap met een bijl', zo instrueerde de componist zijn musici. Hij gaf ze als hulpstukken roeden, koebellen en die houten hamer met een gewicht waarvoor je als slagwerker een sportschoolabonnement moet afsluiten. Als tegenwicht zijn er etherische passages waaruit de maatstrepen lijken weggegumd.

Ook die onwerkelijke sferen heeft Nézet-Séguin in de vingers. Met koebellen in het orkest en achter de deur naar het podium, met een hemelse celesta en een wonderschone vioolsolo van de concertmeester laat hij je even ruiken aan een mooiere, betere wereld. Daarna gebeurt er iets vreemds. Het hamerende begin komt terug, maar de ideeën lijken uitgeput, alsof je op de repeatknop van je cd-speler hebt gedrukt. De tweede keer lijken de bekkens scheller en de trompetten harder. De gewiekste kleurenmenger die hij kan zijn, houdt zich verborgen.

Even komt hij terug. Na een deel van grillige tempowisselingen die zo onvoorspelbaar zijn dat het orkest ze nauwelijks kan bijbenen, neemt hij zijn musici bij de hand. Zacht leidt hij ze door een tedere liefdesdans, tegenhanger van het ruige openingsdeel. Dit is de Yannick op wie we bij zijn aantreden in 2008 op slag verliefd zijn geworden, de Yannick voor wie de grote orkesten in Wenen, Berlijn en Londen in de rij staan.

Die verdwijnt weer in het slotdeel. Waar Mahler tot ver over de grenzen van zijn tijd reikt en de vorm zo uitbeent dat hij er een nieuwlichter als Schönberg mee op de banken kreeg, uitgerekend op die lastig te doorgronden plek laat Yannick zijn publiek verweesd achter. De krachtige harp, de piccolospeelster die haar toon onweerstaanbaar dempt, ze kunnen niet voorkomen dat de lijn in de compositie zoekraakt. Op het moment waarop de hamer op het houten hakblok valt, verdwijnen de hoofden van de slagwerkers op de achterste rij in een stofwolk. Nog mistiger is de indruk die Nézet-Séguin met zijn uitvoering achterlaat.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 21 augustus 2014