dinsdag 7 april 2015

Kermes en Genaux vechten elkaar de tent uit



Simone Kermes en Vivica Genaux, sopraan en mezzosopraan, vliegen elkaar in de haren op Rival Queens. Aangevuurd door Cappella Gabetta vechten ze vetes uit die in de 18de eeuw in de operahuizen speelden.
Destijds waren het de Italiaanse supersterren Faustina Bordoni en Francesca Cuzzoni die elkaar in het operamekka Londen naar het leven stonden. Niet de componisten maar de primadonna's regeerden op de podia. Ze eisten steeds hogere noten en halsbrekendere coloraturen.

Op de cd is het Kermes - hoge, klaterende stem - die haar troeven uitspeelt in de topnoten van haar aria uit Porpora's opera Adelaïde. De donker getimbreerde Genaux is de koningin van de sfeer. Als Berenice uit Ariosti's opera Lucio Vero trekt ze je moeiteloos mee in haar verdriet.

Ondanks de bokshandschoenen op de hoes vullen de dames elkaar aan in een respectabel rijtje cd-premières, ook uit Astianatte, de opera van Bononcini waarin de diva's elkaar lang geleden te lijf gingen. 
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 3 september 2014


Rival Queens
Vivica Genaux & Simone Kermes 

Sony

Met de flair van een schalkse vogelvanger


Komend najaar is Jean-Guihen Queyras weer present op de Cellobiënnale in het Muziekgebouw aan 't IJ, maar eerst houdt het Franse cellofenomeen zijn Beethoven-cd ten doop. Samen met Alexander Melnikov, zijn vaste klavierpartner, heeft hij niet alleen de sonates opgenomen maar ook de variaties die Beethoven maakte op werken van andere componisten. Zo is de aftrap voor Mozart. 'Ein Mädchen oder Weibchen', de aria van Papageno uit Die Zauberflöte, werd voor Beethoven het vertrekpunt voor een serie variaties.
Queyras en Melnikov blazen met een minimum aan vibrato en een overvloed aan flair de schalkse vogelvanger leven in. Mooi dat die speelsheid ook in de vijf sonates niet verdwijnt. Dan komt er nog een geniale dimensie bij: die van het fluisterende ruisen en het snelle schakelen tussen duister en licht. Je kunt Beethoven, de man met de grillige persoonlijkheid, bijna aanraken.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 3 september 2014

Beethoven
Jean-Guihen Queyras, Alexander Melnikov 

Harmonia Mundi 

Christine Schornsheim wil meer dan een klavecimbel

Ze oogt bescheiden, maar geef haar een klavecimbel, of liever nog een tangentenvleugel, en Christine Schornsheim laat de snaren kraken. De rondo's en de fantasieën van Carl Philipp Emanuel Bach speelt ze bewust niet op het instrument dat de componist ervoor in gedachten had, de fortepiano. Op een tangentenvleugel, destijds een nieuwe uitvinding, heeft ze een nog grotere baaierd aan klankmogelijkheden tot haar beschikking, meldt ze in het cd-boekje.
Met tangenten, houten staafjes die tegen de snaren slaan, kan ze het geluid van een klavecimbel suggereren maar ook dat van een vroege fortepiano. Ideaal voor Schornsheim, die zo veel mogelijk karakters uit de werken naar voren wil halen. Carl Philipp Emanuel, de Bachzoon van de Sturm und Drang, zou het uitstekend met haar kunnen vinden.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 3 september 2014


Christine Schornsheim
Carl Philipp Emanuel Bach 

Capriccio 

Castellucci's machinale, emotionele Sacre

Dans
Romeo Castellucci: Le Sacre du Printemps. Muziek: Le Sacre du Printemps (Stravinsky) door MusicAeterna o.l.v. Teodor Currentzis (op cd) 
24/8, Gebläsehalle, Landschaftspark Duisburg-Nord

Zodra je de fabriekshal op het voormalige hoogovencomplex in Duisburg binnenstapt, ruik je het: verweerd ijzer, oude olie - herinneringen aan de staalindustrie waar het in het Ruhrgebied decennialang om draaide. Achter een wand van plexiglas hangen de machines, hoog in de zoldering. De trechters en kokers zijn dansers geworden in Romeo Castellucci's choreografie Le sacre du printemps. Of is het anders? Zijn de tonnen beenderstof die ze over de vloer zullen uitstorten de eigenlijke dansers?
Castellucci, de Italiaanse theatermaker, verleidt zijn kijkers met voorstellingen waarin hij zich filosofische vragen stelt. Zijn scheppingsverhaal Genesi kon niet zonder de volledige ontkenning van de schepping: Auschwitz. Zijn Sacre is een voorstelling over het thema achter de Sacre: het offer.

In Stravinsky's oerversie uit 1913 danst een meisje - half kind, half vrouw - zich dood in een kring van wijze mannen. Bij Castellucci ontmoet dit oude heidense vruchtbaarheidsritueel de moderne industrie. Met 6 ton beendermeel, het bodemverbeterende poeder dat ontstaat wanneer het geraamte van runderen wordt fijngemalen, gaat hij de confrontatie aan.

Verwacht bij Castellucci geen steriele voorstelling. Met neonlicht, industriële machines en een orkest dat via een cd en speakers door de fabriekshal schalt, weet hij je direct te raken. 
Op de hoge fagotsolo waarmee Le Sacre begint, dooft het zaallicht. De volle diepte van het podium wordt zichtbaar, verlicht door knipperende rode leds en witte neonbuizen. Als het orkest begint met zijn hortende ritmes, eerst nog licht geïnstrumenteerd, zwaaien de machines sierlijk aan hun rails heen en weer en storten ze brede linten van beenderstof op het podium. Op een fluitsolo schieten dunne slierten ritmisch door de ruimte.

Castellucci is muzikaal. Zijn choreografie maakt zelfs de meerstemmigheid in Stravinsky's compositie voelbaar. De complexe ritmes van het orkest - een pompende grijze stofdouche - combineert hij met grillige, fel witte strepen die pirouettes draaien.

Ineens licht dwars door het stof de grijze achterwand op. Twee horizontale stroken worden zacht ingekleurd tot een monochrome versie van een schilderij van Rothko, dat telkens van intensiteit verschiet.

Uit de speakers klinkt de 'Danse sacrale', het deel van Le sacre waarin de offerdans zich voltrekt. De rails waaraan de machines zijn opgehangen zakken tot ooghoogte. Salvo's stof worden afgevuurd, recht op het publiek af. Ze spatten uiteen tegen de plexiglazen wand, geweervuur en bloed ineen.

Een wit gordijn gaat dicht. Er wordt een technische beschrijving op geprojecteerd van het procédé van de vervaardiging en de toepassing van beenderenmeel. Onder de tekst hoor je de meest agressieve passages uit Stravinsky's stuk - volkomen steriliteit vormt een contrapunt met de heftigste muzikale ervaring.

Het gordijn gaat open. Zeven mannen in witte veiligheidspakken ruimen het terrein - dat kan een landschap zijn waarop een ramp heeft plaatsgevonden, of een fabriek. De muziek is uiteengevallen in ruisklanken. Terwijl de mannen het stof in afvalcontainers scheppen, loop je de hal uit. In het voorbijgaan zie je in de stofbergen stukken schedel, wit van de chemische reinigingsmiddelen. Aan sommige botresten zie je de knobbelige aanzet van hoorns - overlevingsgereedschap dat overbodig is geworden in een gemechaniseerde wereld.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 27 augustus 2014

Mahlers Zesde krijgt mistig slot



Mahler: Zesde symfonie. Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin

19/8, Concertgebouw, Amsterdam

Direct al bij het begin is het raak: rauw raggen de haren van de strijkstokken over de snaren, alsof ze rechtstreeks willen doorstoten naar de klappen van de houten hamer, aan het slot van Mahlers Zesde symfonie. Yannick Nézet-Séguin, chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, straalt met zijn compacte lijf zoveel kracht uit dat hij zijn musici over hun eigen grenzen laat heen spelen. Hij raast door naar de laagste contrabastonen. Pas in de stilte die daarop volgt, laat hij zijn publiek naar adem happen.
Mahlers Zesde, zijn 'Tragische', dat is gesublimeerde angst, pijn, wanhoop. 'Als zweepslagen, als een woedeuitbarsting, als een klap met een bijl', zo instrueerde de componist zijn musici. Hij gaf ze als hulpstukken roeden, koebellen en die houten hamer met een gewicht waarvoor je als slagwerker een sportschoolabonnement moet afsluiten. Als tegenwicht zijn er etherische passages waaruit de maatstrepen lijken weggegumd.

Ook die onwerkelijke sferen heeft Nézet-Séguin in de vingers. Met koebellen in het orkest en achter de deur naar het podium, met een hemelse celesta en een wonderschone vioolsolo van de concertmeester laat hij je even ruiken aan een mooiere, betere wereld. Daarna gebeurt er iets vreemds. Het hamerende begin komt terug, maar de ideeën lijken uitgeput, alsof je op de repeatknop van je cd-speler hebt gedrukt. De tweede keer lijken de bekkens scheller en de trompetten harder. De gewiekste kleurenmenger die hij kan zijn, houdt zich verborgen.

Even komt hij terug. Na een deel van grillige tempowisselingen die zo onvoorspelbaar zijn dat het orkest ze nauwelijks kan bijbenen, neemt hij zijn musici bij de hand. Zacht leidt hij ze door een tedere liefdesdans, tegenhanger van het ruige openingsdeel. Dit is de Yannick op wie we bij zijn aantreden in 2008 op slag verliefd zijn geworden, de Yannick voor wie de grote orkesten in Wenen, Berlijn en Londen in de rij staan.

Die verdwijnt weer in het slotdeel. Waar Mahler tot ver over de grenzen van zijn tijd reikt en de vorm zo uitbeent dat hij er een nieuwlichter als Schönberg mee op de banken kreeg, uitgerekend op die lastig te doorgronden plek laat Yannick zijn publiek verweesd achter. De krachtige harp, de piccolospeelster die haar toon onweerstaanbaar dempt, ze kunnen niet voorkomen dat de lijn in de compositie zoekraakt. Op het moment waarop de hamer op het houten hakblok valt, verdwijnen de hoofden van de slagwerkers op de achterste rij in een stofwolk. Nog mistiger is de indruk die Nézet-Séguin met zijn uitvoering achterlaat.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 21 augustus 2014

Clowns reiken naar kern van de twijfelende mens


Grachtenfestival. Mozart, Così fan tutte. Regie: Lotte de Beer. Solisten, Nieuw Nederlands Operafront o.l.v. José Miguel Esandi
Amsterdam, Stadsschouwburg, 16/8. Tot 20/8
Er komen veel zelfmoordvarianten langs in de Così fan tutte van Lotte de Beer, maar de uitgebreidste is voor Don Alfonso. In het begin van Mozarts komische opera valt het rode hart dat hij vasthoudt in stukken. Hij probeert de galg die uit het plafond valt te bereiken, maar zijn ladder glijdt weg, dan breken de treden af en tot slot valt de strop op de grond. Alfonso, gekleed en geschminkt als clown, trekt zijn pak uit en veegt de verf van zijn gezicht. Van een man die zo hartstochtelijk kon liefhebben dat hij ervoor wilde sterven, verandert hij in de Don Alfonso die we kennen: de cynicus die denkt dat hij kan bewijzen dat iedereen die liefheeft ooit uit de hemel zal vallen.

De stelletjes die hij gebruikt om zijn gelijk te halen zijn clowns: onbevangen en goudeerlijk geloven ze in hun liefde voor elkaar. Fiordiligi hoort in haar pierrotpak bij dikzak Guglielmo, de lange Dorabella met haar enorme rode neus bij de klunzige Ferrando. Geholpen door het wulpse schoonmaakstertje Despina, half clown half mens, stelt Alfonso de jonge vrouwen bloot aan een salvo van verleidingstrucs.

De Beer, die met de voorstelling al succes boekte in Duitsland, neemt geen genoegen met grappen van het eenduidige soort. Onder de verkleedkleren zie je echte emoties van vrouwen op wie een stortvloed aan beproevingen wordt losgelaten. Als ze zwichten voor hun verleiders, wordt hun pijn voelbaar. De eendimensionaal vrouwonvriendelijke opera die Così ooit was, wordt een rijk geschakeerd psychologisch verhaal. Geen drama, ze houdt het luchtig, maar wel een voorstelling die zelfs van de cynicus Alfonso een tragische figuur maakt.

Met een minimum aan middelen: een straatlantaarn, een deur, laat De Beer de scènes snel van sfeer verspringen. Als Dorabella fantaseert over haar gevoelens voor een oosterse man met een gespierde borst maakt ze daar een komische scène van die de draak steekt met de gevoelens van het meisje en toch de ernstige ondertoon benoemt. Aan een knaapje hangt de jas van haar verleider. Met haar arm door een mouw streelt Dorabella over haar wang en laat de minnedans die daarop volgt flink uit de hand lopen.

Het Nieuw Nederlands Operafront, een orkest dat door De Beer zelf is opgericht, moet nog groeien in alertheid en timing. Soms kiest de Argentijnse dirigent José Miguel Esandi net niet de tempi die de vaart in de voorstelling houden.

De zangers hebben acteermogelijkheden waarin De Beer volop kan grasduinen. De Fin Tuomas Pursio is een overdonderende Alfonso die virtuoos dolt met de gezongen én gesproken Italiaanse tekst. Hij vindt in de Despina van Moran Abouloff een sprankelende bondgenoot. De hartsvriendinnen Dorabella en Fiordiligi (Florieke Beelen en Louise Kwong) en hun geliefden Guglielmo en Ferrando (Orhan Yildiz en Timothy Fallon) hebben een klasse die je eerder verwacht bij een internationaal huis dan bij een voorstelling in het Grachtenfestival.

Elektrocuteren, een jerrycan arsenicum leegdrinken, je hart met een mes doorboren, het arsenaal van wanhoopsdaden blijft gereserveerd voor de luchtige momenten in de opera. Als het er echt op aankomt, glijden de zangers uit hun clownspakken. Op het podium vallen de doeken. De ruwe muren van de Stadsschouwburg, de takels en de spots worden zichtbaar. Lotte de Beer maakt van de opera die ooit werd vertaald als Weibertreue een voorstelling die reikt tot de naakte kern van de twijfelende mens.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 18 augustus 2014

Liederen op de grens van zingen en vertellen


Nachtviooltjes, met hun zachtblauwe bloemen die vooral 's avonds geuren, stonden in de tijd van Schubert symbool voor trouw en matigheid. Ze zouden een beproefd middel zijn tegen slapeloosheid en depressies. Schuberts huisgenoot Mayrhofer, die de tekst dichtte van het gelijknamige lied, leed aan depressies. Best mogelijk dat Schubert hem er bemoedigend mee wilde toezingen.
Dan vindt hij in Christian Gerhaher een fijnzinnige bondgenoot. Verwacht bij hem geen fel ingekleurde aaa's en ooo's. Zijn specialiteit ligt op de grens van zingen en vertellen. Altijd heeft de tekst het laatste woord. Zelfs als de pianist Gerold Huber een lied afrondt, suggereert hij met zijn spel dat de woorden verdergaan. Zo ontstaat een sublieme eenheid van dichtkunst, melodie en rake harmonische wendingen. Geneeskrachtig of niet, Gerhaher én Huber communiceren iets dat verder reikt dan het oor kan bevatten.

Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 13 augustus 2014
Christian Gerhaher, Gerold Huber
Schubert

Sony