dinsdag 7 april 2015

Clowns reiken naar kern van de twijfelende mens


Grachtenfestival. Mozart, Così fan tutte. Regie: Lotte de Beer. Solisten, Nieuw Nederlands Operafront o.l.v. José Miguel Esandi
Amsterdam, Stadsschouwburg, 16/8. Tot 20/8
Er komen veel zelfmoordvarianten langs in de Così fan tutte van Lotte de Beer, maar de uitgebreidste is voor Don Alfonso. In het begin van Mozarts komische opera valt het rode hart dat hij vasthoudt in stukken. Hij probeert de galg die uit het plafond valt te bereiken, maar zijn ladder glijdt weg, dan breken de treden af en tot slot valt de strop op de grond. Alfonso, gekleed en geschminkt als clown, trekt zijn pak uit en veegt de verf van zijn gezicht. Van een man die zo hartstochtelijk kon liefhebben dat hij ervoor wilde sterven, verandert hij in de Don Alfonso die we kennen: de cynicus die denkt dat hij kan bewijzen dat iedereen die liefheeft ooit uit de hemel zal vallen.

De stelletjes die hij gebruikt om zijn gelijk te halen zijn clowns: onbevangen en goudeerlijk geloven ze in hun liefde voor elkaar. Fiordiligi hoort in haar pierrotpak bij dikzak Guglielmo, de lange Dorabella met haar enorme rode neus bij de klunzige Ferrando. Geholpen door het wulpse schoonmaakstertje Despina, half clown half mens, stelt Alfonso de jonge vrouwen bloot aan een salvo van verleidingstrucs.

De Beer, die met de voorstelling al succes boekte in Duitsland, neemt geen genoegen met grappen van het eenduidige soort. Onder de verkleedkleren zie je echte emoties van vrouwen op wie een stortvloed aan beproevingen wordt losgelaten. Als ze zwichten voor hun verleiders, wordt hun pijn voelbaar. De eendimensionaal vrouwonvriendelijke opera die Così ooit was, wordt een rijk geschakeerd psychologisch verhaal. Geen drama, ze houdt het luchtig, maar wel een voorstelling die zelfs van de cynicus Alfonso een tragische figuur maakt.

Met een minimum aan middelen: een straatlantaarn, een deur, laat De Beer de scènes snel van sfeer verspringen. Als Dorabella fantaseert over haar gevoelens voor een oosterse man met een gespierde borst maakt ze daar een komische scène van die de draak steekt met de gevoelens van het meisje en toch de ernstige ondertoon benoemt. Aan een knaapje hangt de jas van haar verleider. Met haar arm door een mouw streelt Dorabella over haar wang en laat de minnedans die daarop volgt flink uit de hand lopen.

Het Nieuw Nederlands Operafront, een orkest dat door De Beer zelf is opgericht, moet nog groeien in alertheid en timing. Soms kiest de Argentijnse dirigent José Miguel Esandi net niet de tempi die de vaart in de voorstelling houden.

De zangers hebben acteermogelijkheden waarin De Beer volop kan grasduinen. De Fin Tuomas Pursio is een overdonderende Alfonso die virtuoos dolt met de gezongen én gesproken Italiaanse tekst. Hij vindt in de Despina van Moran Abouloff een sprankelende bondgenoot. De hartsvriendinnen Dorabella en Fiordiligi (Florieke Beelen en Louise Kwong) en hun geliefden Guglielmo en Ferrando (Orhan Yildiz en Timothy Fallon) hebben een klasse die je eerder verwacht bij een internationaal huis dan bij een voorstelling in het Grachtenfestival.

Elektrocuteren, een jerrycan arsenicum leegdrinken, je hart met een mes doorboren, het arsenaal van wanhoopsdaden blijft gereserveerd voor de luchtige momenten in de opera. Als het er echt op aankomt, glijden de zangers uit hun clownspakken. Op het podium vallen de doeken. De ruwe muren van de Stadsschouwburg, de takels en de spots worden zichtbaar. Lotte de Beer maakt van de opera die ooit werd vertaald als Weibertreue een voorstelling die reikt tot de naakte kern van de twijfelende mens.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 18 augustus 2014

Liederen op de grens van zingen en vertellen


Nachtviooltjes, met hun zachtblauwe bloemen die vooral 's avonds geuren, stonden in de tijd van Schubert symbool voor trouw en matigheid. Ze zouden een beproefd middel zijn tegen slapeloosheid en depressies. Schuberts huisgenoot Mayrhofer, die de tekst dichtte van het gelijknamige lied, leed aan depressies. Best mogelijk dat Schubert hem er bemoedigend mee wilde toezingen.
Dan vindt hij in Christian Gerhaher een fijnzinnige bondgenoot. Verwacht bij hem geen fel ingekleurde aaa's en ooo's. Zijn specialiteit ligt op de grens van zingen en vertellen. Altijd heeft de tekst het laatste woord. Zelfs als de pianist Gerold Huber een lied afrondt, suggereert hij met zijn spel dat de woorden verdergaan. Zo ontstaat een sublieme eenheid van dichtkunst, melodie en rake harmonische wendingen. Geneeskrachtig of niet, Gerhaher én Huber communiceren iets dat verder reikt dan het oor kan bevatten.

Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 13 augustus 2014
Christian Gerhaher, Gerold Huber
Schubert

Sony

Abbado neemt afscheid met kerngezonde Bruckner


Aan het begin van dit jaar stierf Claudio Abbado, de dirigent aan wie ijdel maestrogedrag vreemd was. Als je hem ziet staan op de cover van de live-cd die is gemaakt van zijn laatste concert met zijn Lucerne Festivalorkest, lijken ziekte en dood nog eindeloos ver weg. Ook de kloppende bloedstroom die hij door de hele Negende symfonie van Bruckner stuurt, heeft een kerngezonde kracht.
Hij pompt de noten niet op, maar brengt ze terug naar hun uiterste eenvoud. Daarmee boort hij een kant van de componist aan die je zelden hoort voorbijkomen. Grote Brucknerdirigenten zoeken het nu eenmaal meestal in breedte als het gaat om het treffen van een klankkarakter. De frisse oprechtheid die Abbado in de Negende aantreft, leidt tot een ontdekking van een kant van Bruckner die misschien wel samenvalt met het gevoel achter de tekst die hij bij zijn symfonie schrijft: Dem lieben Gott.

Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 13 augustus 2014
Bruckner: Negende symfonie
Claudio Abbado Deutsche Grammophon

Purcells weemoed in tien afleveringen


Cecilia Bernardini
Hoger klimmen ze, de violen van Cecilia Bernardini en Huw Daniel. Ze schuren vlak tegen elkaar en de toon buigt naar beneden, als een zacht droeve klacht. In de tijd van Purcell wist je: dan is het helemaal mis. Net als de taal had ook de muziek haar eigen retorische figuren. Vaak waren het herhalingen die stegen, wegkeken of juist het conflict opzochten als ze de harmonieën lieten wringen tot het niet langer ging.
Henry Purcell had iets met droefheid. Weinig componisten die daar zo veel schakeringen in wisten aan te brengen als hij. In de tien postuum uitgegeven sonates die The King's Consort heeft opgenomen, voelt het extra licht als het er in de Sonate in C ineens onbekommerd jolig aan toe gaat. Daar dansen de historische instrumenten erop los, niet stijf als in een balzaal maar van binnenuit, zoals in een dorpskroeg. Daarna slaat de weemoed weer toe, met een kracht die The King's Consort vol bij je laat binnenkomen.

Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 13 augustus 2014
Purcell: Ten sonatas in four parts
The King's Consort
Vivat

Rauw Berlijnse Groschenblues


Kurt Weill. Claron McFadden, Sven Ratzke, Fay Lovsky, Charly Zastrau Band 
Amsterdam, Concertgebouw, 9/8

In de Kleine Zaal van het Concertgebouw schittert de kroonluchter rood. Achter de Steinway zit een man met pet, op de hals van een contrabas rust een hoge hoed, op een tafeltje wacht een fles whisky op een late cafégast. Het zaallicht gaat uit, een donkere vrouw met Venetiaans masker spreekt op fluistertoon: 'Ik ga een verhaal vertellen dat niet waar is maar jullie zullen het allemaal geloven, en aan het eind kom ik terug en vertel ik dat het niet waar is.'
Na hun tournee van vorig jaar nemen de van oorsprong Duitse performer Sven Ratzke en de Amerikaans-Nederlandse Claron McFadden de concertbezoekers opnieuw mee naar het Berlijn van de jaren twintig, van Kurt Weill en zijn Dreigroschenoper. Het was de tijd waarin deze zoon van een Joodse cantor samen met de toneelschrijver Bertolt Brecht en zijn vrouw Lotte Lenya de podia bestormde met muziek, woorden en een keuze van onderwerpen die iedere Berlijner verstond.

Ratzke en McFadden nemen je mee naar hun vrije lezing van het Dreigroschenverhaal, naar de woningen achter de fraaie façades, met hun pooiers en hoeren, naar de macht van het geld en de dromen van een straatmadelief die ooit zelf aan de touwtjes van haar leven wil trekken.

Snel switchend tussen Duits, Nederlands, Engels en Frans laten ze die rauwe buurten tot leven komen - McFadden in grootse stijl. De operadiva, de actrice, het zwoele fluisterzangeresje, ze hebben allemaal een plek in deze schitterend theatrale voorstelling Groschenblues. Glamboy Ratzke, in strak zwart glittershirt, trekt zijn publiek met zijn lijf en stem de voorstelling in, met dank aan de nog lang niet uitgekauwde composities van het duo Weill en Brecht.

Seeräuber Jenny, De pooierballade, Surabaya Johnny maar ook minder bekende liederen rijgen ze aan elkaar met conferences in Berlijnse stijl.

Even belangrijk is het aandeel van de Zwitserse pianist en arrangeur Charly Zastrau. Hij heeft de partituur van Weill opnieuw gearrangeerd en doorbreekt de soms mechanische eenvoud van het origineel. Zijn basisensemble van piano, bas en drums breidt hij uit met elektrische gitaar, zingende zaag, vibrafoon en theremin, het elektronische instrument uit 1919 dat wordt bespeeld door de handen in de lucht te bewegen. Fay Lovsky is te horen als zangeres en vaardige bespeelster van al die instrumenten. Geweldige vondst: het etherische geluid van de theremin zet ze in als menselijke stem die als een jaloerse rivale de strijd aanbindt met de echte stem van Claron McFadden. Zoals het Dreigroschenverhaal voorspelt, wint schijn het van warme menselijkheid.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 11 augustus 2014

Nikolaus Harnoncourt spreekt

Salzburg
Zestig jaar lang groef barokdirigent Nikolaus Harnoncourt naar de ideeën achter Mozarts noten. Op de valreep van zijn pensioen deed het icoon van de oude muziek de ontdekking van zijn leven. Hij weet nu hoe de laatste drie symfonieën van Mozart wél moeten worden gespeeld.
Nikolaus Harnoncourt (84) repeteert de Veertigste symfonie van Mozart, een lieflijk stuk dat je op straat tegenkomt als beltoon en waar radiomakers je 's ochtends mee wakker wiegen. 'Stop, stop, stóp', roept hij naar de musici van Concentus Musicus Wien. 'Jullie laten het klinken als een lied. Je moet het gevoel krijgen dat iemand je aan het wurgen is. Het stuk gaat over leven en dood. Alle hoop vloeit eruit weg. Aan het eind is de melodie vernietigd en de harmonie ook. Je staat op de ruïnes van de muziek.'

 'Ik wil nog één keer Schuberts Unvollendete doen, met de Wiener Philharmoniker.'
Al zestig jaar denkt het Oostenrijkse icoon van de oude muziek na over de Veertigste, de middelste van het drietal waarmee Mozart zijn symfonisch oeuvre afsluit. Hoe kan het dat er geen helder begin is? Je hoort mummelende altviolen en een melodie die niet van de grond komt - niet het kordate statement waarmee je als componist destijds een symfonie begon. En waarom heeft de voorgaande, de Negenendertigste, die grote intrada? Niet zomaar een inleiding, maar een begin als een ouverture voor een veel groter werk? En hoe verklaar je het machtige slot van de laatste, de Jupitersymfonie? 
Tijdens de Salzburger Festspiele laat Johannes Nicolaus Graf de la Fontaine und d'Harnoncourt-Unverzagt, geboren in Berlijn en opgegroeid in Graz, zijn publiek ervaren dat de samenhang tussen de drie werken veel groter is dan tot dusver werd aangenomen. Als hij de slotnoten van de Negenendertigste naadloos laat overgaan in het begin van de Veertigste symfonie, gaat er een schok door de zaal van het Grosse Festspielhaus. De dames in zijden dirndls, de Oostenrijkse klederdracht met lange rokken en diep uitgesneden keursjes, en de heren in jagersjasjes kennen hun Mozart. Als Harnoncourt de neuriënde altvioolklank als een zalf uitsmeert op de wonden die de paukenexplosies aan het slot van de Negenendertigste hebben geslagen, kijken ze geschokt om zich heen. De aansluiting van de werken is nog nooit eerder vertoond en maakt de relatie tussen de symfonieën voelbaar. Na de Veertigste loopt Harnoncourt met gebogen hoofd het podium af, zichtbaar aangedaan. Niemand durft te applaudisseren. Pas na de apotheose van de Jupiter komt schoorvoetend de ontlading. Mozarts grote psychologische drama is ten einde.

De volgende dag geeft Harnoncourt uitleg. In het traditionele Hotel Goldener Hirsch aan de Karajan Platz loopt hij op grote, bruine sandalen, met een rood geblokt houthakkersshirt over zijn arm, de bibliotheek van het gebouw binnen. Zijn vrouw Alice, violiste en medeoprichtster van Concentus Musicus, wijkt niet van zijn zijde. 'Het zijn niet drie afzonderlijke werken, het is één groot werk waarvan de onderdelen ook afzonderlijk gespeeld kunnen worden. Dat is waarschijnlijk de ontdekking van mijn leven', meldt de bijna 85-jarige terwijl hij je met een borende blik aankijkt - het rechteroog wijder opengesperd dan het linker.

'Tien jaar geleden was het nog een hypothese, nu weet ik het zeker. Ga maar na. Zonder dat er een opdracht was, zonder dat er zelfs maar een kans was op een uitvoering, ging Mozart ermee aan de slag. Hij trok naar het platteland, naar een huis met een tuin, om in alle rust te werken, ver weg van de verleidingen van de grote stad.

'De noten brandden in zijn pen. In één ruk schreef hij door, terwijl hij telkens vasthield aan dezelfde motieven. Ongelooflijk dat hij maar zes weken nodig had om van de intrada van de Negenendertigste tot aan de finale van de Jupiter te komen. Het was de zomer van 1788, een periode waarin hij geobsedeerd was door barokmuziek. Hij wilde een werk schrijven dat de gebruikelijke symfonische vorm overschreed en kwam uit op een instrumentaal oratorium, een nieuwe vorm die even overweldigend moest worden als de gezongen oratoria uit de barokperiode.'

Mozarts laatste symfonieën markeren de cruciale momenten in de loopbaan van Harnoncourt. Toen hij in de jaren zestig cello speelde bij de Wiener Symphoniker, zegde hij na een uitvoering van de Veertigste acuut zijn baan op. Hij kon het niet langer verdragen dat de zoveelste dirigent langskwam die de symfonie als een routineklus afwerkte. En daarbij dan die voldane glimlachjes op de gezichten van de musici! Dat alles stond diametraal tegenover de grote emoties die de componist moest hebben gevoeld toen hij de noten neerpende. Harnoncourt ging verder als cellist en muzikaal leider van Concentus Musicus Wien, het oudemuziekensemble dat hij in de jaren vijftig had opgericht - gravend naar de ideeën achter de noten.

Op zijn onlangs verschenen nieuwe cd presenteert hij zijn Mozartbevindingen aan de wereld. Maar de ontdekkingen houden nooit op: 'Drie dagen voor het concert hier in Salzburg heb ik opnieuw dingen in de partituur gelezen die ik nog niet eerder had gezien, terwijl ik de werken zo goed ken dat ik ze uit mijn hoofd zou kunnen opschrijven.' Hij pakt een blad met aantekeningen. In minutieus handschrift en gekleurde lijnen staan daar de verbanden getekend tussen de motieven die Mozart voor de drie symfonieën gebruikte. 'Ik weet dat die gecomponeerd zijn om gehóórd te worden, niet om gelezen te worden. Dat is wat ik met mijn uitvoeringen voor elkaar wil krijgen. Bijna iedereen die naar een concert gaat, denkt dat hij deze composities kent. Maar juist als een werk zich in je geheugen heeft genesteld, heeft het je niets meer te zeggen. De verrassing, de overweldigende indruk van het nog nooit gehoorde - die ben je dan kwijt geraakt. Dat is hét probleem van klassieke concerten. We gaan er naartoe met in ons hoofd: O, vanavond krijgen we de Vijfde Beethoven. We weten al wat er komt. We worden niet door elkaar geschud en vinden het niet goed of slecht. Als je als musicus andere muziek speelt dan die van je eigen tijd, moet je de clichés te lijf gaan en alleen nog uitvoeringen geven die het gevoel van verwondering terugbrengen. Bij het publiek maar ook bij de musici.'

Het begint allemaal met vragen stellen, ook naar dingen die je al vaak bent tegengekomen. De tempo-aanduiding boven het eerste en het laatste deel van de Veertigste symfonie bijvoorbeeld. Allegro assai schrijft Mozart boven beide delen. Assai? Wordt een allegro daar sneller of langzamer van?

Voor een antwoord klopte Harnoncourt aan bij Italiaanse collega's, bij Claudio Abbado, die toen nog leefde, bij Riccardo Muti en bij nog een rijtje anderen. Van iedereen kreeg hij hetzelfde antwoord: allegro assai betekent een snel allegro. Assái, assái, de fonetische klank van dat woord geeft immers al de suggestie van een versnelling. 'Maar wat betekent het woord nu echt?', wilde Harnoncourt weten. Daarop wist niemand een antwoord.

Hij schreef een prijsvraag uit voor zijn leerlingen aan het Mozarteum, het Salzburgse Conservatorium waaraan hij destijds nog lesgaf: wat betekent allegro assai in de tijd van Mozart? Zo'n honderd studenten uit verschillende landen kregen een halfjaar om zich over de vraag te buigen.

Harnoncourt: 'Ik kreeg een paar uitstekende werkstukken in handen. Wat bleek? Assai is in de tijd van Mozart een aanduiding die uit het Frans komt, van assez, voldoende. Het heeft met snel niets te maken. Een juist tempo is het, meer niet. Allegro giusto, zouden we tegenwoordig zeggen.'

De gevolgen voor de tempokeuze van dat openingsdeel van de Veertigste zijn enorm. Vanaf dat moment weet Harnoncourt dat hij in het begin van de symfonie een tandje moet bijzetten. Voor de nieuwe uitvoering is dat razend interessant. Als je het speelt zoals Mozart het bedoelt, ontstaat er ineens een schitterende spanningsboog naar het tempo van de grote finale van de laatste symfonie, de Jupiter.

Het is Harnoncourt ten voeten uit. Hij gaat terug naar de bron - hoe bekend een compositie ook is - naar de handschriften van de componist, naar zijn brieven, naar reacties van tijdgenoten. Met die gegevens en een hoofd vol informatie over de periode waarin een werk ontstond, begint zijn idee over een compositie. Niet met het luisteren naar concerten of opnamen van andere dirigenten. Dat was zo toen hij in de jaren vijftig Concentus Musicus oprichtte en dat is nog altijd zo.

Wat wél verschilt met de jaren vijftig en zestig: tegenwoordig spreekt het vanzelf dat ook musici die op moderne trompetten en violen spelen rechtop gaan zitten als hij zich bij hun orkest meldt. Toen hij in het midden van de jaren zeventig begon als dirigent van moderne ensembles als het Koninklijk Concertgebouworkest moest hij zich eerst door een muur van vooroordelen heen worstelen. Goed, hij had een enorme staat van dienst als grammofoonplatenartiest. Met de opnamen van Concentus Musicus, dat hij vanachter de cello leidde, veroverde hij de wereld. Maar een oudemuziekman die voor een modern eliteorkest ging staan, was in die tijd iets als een zuiglam roosteren op een feestje van vegetariërs.

Toch kreeg hij ze om, eerst de musici van het Concertgebouworkest en later ook die van de Wiener en de Berliner Philharmoniker, en van het Chamber Orchestra of Europe - de crème de la crème van de moderne orkesten. Met harkende armbewegingen laat hij ze spelen zoals ze nog nooit hebben gespeeld.

Hij stond het afgelopen seizoen nog voor het Concertgebouworkest, dat hem heeft gelauwerd met de titel honorair gastdirigent. Hij liet hij een Vijfde symfonie van Bruckner horen die alle clichés over weidse vergezichten naar het strafbankje verwees. De Volkskrant-journalist van dienst hoorde 'graaien in een bak spijkers', 'jammende musici', 'een hoornsectie die het noorden kwijt was'. Harnoncourt scoorde er vijf sterren mee, net als in de meeste andere kranten, al waren er ook kritische besprekingen - een uitvoering van Harnoncourt is nooit onomstreden.

Het deert hem niet. 'Ik heb in mijn loopbaan alleen maar geluk gehad. Ik heb me nooit hoeven opwerken, heb alleen met de beste orkesten gewerkt. Het eerste orkest dat ik dirigeerde, was dat van de Scala in Milaan. Ze wisten daar niet dat ik geen dirigent was. Ze hadden grammofoonplaten beluisterd van Concentus Musicus en daarop stond: muzikale leiding Nikolaus Harnoncourt. Ze hadden geen idee dat ik het orkest leidde vanaf de cello. Met die uitnodiging voor Il ritorno d'Ulisse van Monteverdi is het begonnen. Nu ben ik bijna 85. Dat betekent dat ik mijn activiteiten zeer zal beperken de komende tijd. Geen reizen meer. Weinig orkesten. Ik wil nog één keer Schuberts Unvollendete doen, met de Wiener Philharmoniker. Dat stuk heb ik lang niet meer gedirigeerd en ik geloof dat ik nu een echt concept voor die symfonie heb. Een mooier slot van een carrière kan ik me niet voorstellen.'


THE LAST SYMPHONIES, MOZART'S INSTRUMENTAL ORATORIUM 
CONCENTUS MUSICUS WIEN O.L.V. NIKOLAUS HARNONCOURT
SONY 

Laatste keer met het Concertgebouworkest

Nikolaus Harnoncourt (84) beschrijft zijn uitvoering van de Vijfde symfonie van Bruckner, eerder dit seizoen met het Concertgebouworkest waar hij benoemd is tot honorair gastdirigent, als 'een verrijking voor iedereen die erbij was'. Als hij vertelt over die ervaring zoekt hij even de ogen van zijn vrouw Alice, aan de andere kant van de lange tafel. 'Ik word dit jaar 85 en mijn gezondheid laat het soms afweten. Reizen valt me zwaar. Ik denk niet dat ik nog eens naar Amsterdam kom. Ook niet om mijn nieuwe visie op Mozart te laten horen. Dat betekent dat die Vijfde Bruckner mijn laatste concert is geweest met het Concertgebouworkest. Ik heb zo veel gedaan met dit orkest en we hebben in een fantastische harmonie samengewerkt - een mooiere afsluiting dan deze Bruckner kan ik me niet wensen.'
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 8 augustus 2014


maandag 6 april 2015

Gianni uit Spanga smeekt om verzachtende omstandigheden


Giacomo Puccini: Gianni Schicchi.
Opera Spanga en Symfonia Rotterdam o.l.v. Conrad van Alphen.
Spanga (Friesland) tot 16/8; Terneuzen, Sluiskiltunnel 31/8; Rotterdam, De Doelen 24/1/15.
Uitzending via Brava.
De live-emotie hoort bij opera als de doelschop bij een voetbalwedstrijd. Zonder de spannende ervaring van een zanger die je op het moment suprème met een goed getimede topnoot kan meenemen in zijn woede of pijn, is de lol een flink stuk minder. Als je de website van Opera Spanga erop naslaat, kríjg je deze zomer dan ook een live opvoering van Puccini's komische eenakter Gianni Schicchi. Een extra feestelijke zelfs, want de zomeropvoeringen in het Friese weiland bestaan vijfentwintig jaar.

Eenmaal aangekomen in de tent krijg je daarom een extraatje. Knieën tegen de rug van de buurvrouw voor je, schouders tegen de bovenarmen van collega's, billen op eerlijk houten planken, mag je een uur lang luisteren naar een parade van mystery guests. En er komt een parade van Spangasterren uit de voorgaande edities van het festival langs. Voor een microfoon en met begeleiding van het Frysk Harmony Orkest zingen ze hoogtepunten uit het Spangarepertoire. Vooruit, hun schelle stemmen neem je voor lief. Je komt immers niet voor het voorprogramma maar voor de première van Gianni Schicchi, na de pauze.

Die begint indrukwekkend. Op een groot filmdoek zie je de stervende Buoso Donati, op wiens erfenis zijn familieleden afkomen als fruitvliegjes op een rijpe perzik. Precies op het moment dat een verpleegster het zuurstofkapje van zijn mond trekt, laat de dirigent Conrad van Alphen de musici van Symfonia Rotterdam inzetten. Briljante vondst. Puccini's openingsmaten worden filmmuziek en neigen ineens naar de soundtrack van Hitchcocks Vertigo.

Met veel bontjassen en pornografische naakten zet Corina van Eijk de Florentijnse noblesse tegenover de eenvoudige Gianni Schicchi en zijn dochter Lauretta. Haar geliefde Rinuccio, een van Buoso's nazaten, bouwt ze om tot Rinuccia; net als in de voorgaande edities van haar Spangafeest geeft ze de opera's haar eigen draai. Met komische close-ups en sfeervolle Italiaanse stadsbeelden die dwars door de harde realiteit van de sterfkamer doorschemeren zet ze een uitstekende operafilm neer.

Blijft de vraag: hoe bestaat het dat zangers die je voor de pauze live niet wisten te raken tijdens de film ineens meeslepend kunnen zingen?

Aan het slot smeekt Gianni Schicchi om verzachtende omstandigheden. Die zijn ook voor deze operafilm aan te dragen, maar voor 44 euro per kaart kun je afwegen of je niet liever thuis blijft. De televisiezender Brava, een van de lange rij Spangasponsors, zendt hem binnenkort uit.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 8 augustus 2014