zondag 13 oktober 2013

Abdel Rahman El-Bacha's Beethovenmarathon


Abdel Rahman El-Bacha (Beiroet, 1958) is als midden-vijftiger nog altijd wat hij als jonge pianist was: een kennersgeheim. Om te ervaren hoe deze winnaar van het Elisabeth Concours jaren geleden alle werken voor piano solo van Chopin - dik over de tweehonderd stuks - speelde, moest je op reis. Naar het Provençaalse festival in La Roque d'Anthéron bijvoorbeeld.
Hij legde zijn marathon chronologisch af, polonaise na mazurka na etude, soms met meerdere concerten op een dag. Het leverde een uniek kijkje op in de ontwikkeling van de componist. Nu heeft hij de integrale Pianosonates van Beethoven opgenomen: tien cd's met 32 zuiver klassieke en compleet ontwortelde stukken. Opnieuw kun je met hem mee, op expeditie naar de ontstaansgeschiedenis van die werken.

Never a dull moment, dat geldt voor Beethoven maar ook voor Abdel Rahman El-Bacha. Na afloop van de lange sessie ben je gegarandeerd een inzicht verschaffende ervaring rijker. 

Beethoven: complete Sonates voor piano 
Abdel Rahman El-Bacha

Mirare








Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 11 september 2013

Conspirare zingt filmisch werk van Kevin Puts

Bubbubbubbubbub. Zo snel als een vibrafoon met motor herhalen de koorzangers van Conspirare één toon. Even later wordt het kalm, alsof de wind is gaan liggen op het meer waarover de zwaan uit het lied dobberend zijn veren uitschudt.
Kevin Puts (41), componist uit St. Louis, Missouri en winnaar van de Pulitzer Prize, kan met zijn noten filmische beelden tevoorschijn toveren.

Dat doet hij in de koorwerken If I were a swan en ook in To touch the sky, op teksten van Moeder Teresa, Emily Brontë, Hildegard von Bingen en andere vrouwen die hij associeert met 'Das ewig Weibliche'. Het lukt hem ook in zijn Vierde symfonie, waarvoor hij inspiratie putte uit de oermelodieën van Amerika, die van de Indianen.

Het Symfonieorkest van Baltimore en chef-dirigente Marin Alsop hebben het DNA waarop Puts' muziek gedijt en tillen de uitvoering ver boven de middelmaat uit.


Kevin Puts
Conspirare, Symfonieorkest van Baltimore o.l.v. Marin Alsop

Harmonia Mundi








Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 11 september 2013

Notenkraakster

Interview met Olga Peretjatko
De jonge Russische sopraan Olga Peretjatko bestormt de grote podia, ook in Nederland. Wie is ze en waar komt ze vandaan?
Zelfs als ze razendsnel opklimt naar onwerkelijk hoge tonen hoor je het. Dwars door haar briljante capriolen heen klinkt diep paars fluweel, handelsmerk van de Russische sopraan Olga Peretjatko (33). Zo zweeft ze op haar cd Arabesque in een aria uit een Rossini-opera onbekommerd naar een hoge e, maar van ijzige kou is zelfs in deze stratosferische regionen niets te merken. De gloedvolle basis maakt haar stem niet alleen geschikt voor luchtige meisjesrollen maar ook voor het duister van Vier letzte Lieder van Richard Strauss. Zondagavond staat ze in het Muziekgebouw aan 't IJ met een programma waarin ook die andere kant van haar stem aan bod komt.
Peretjatko stoot opvallend snel door tot de grote podia van Salzburg, Berlijn en, verderop in het seizoen, de Metropolitan Opera. Op haar cd laat ze alvast een voorproefje horen van de rol van Elvira in I Puritani, de opera van Bellini waarmee ze New York wil veroveren.

Nog geen tien jaar geleden kon je haar tegenkomen in de zaaltjes van Berlijnse bejaardentehuizen. Met andere studenten aan de Hanns Eisler Hochschule gaf ze er miniconcerten: werkervaring en een broodnodige aanvulling op haar beursloze bestaan.

Voor een nieuwe productie van De tsarenbruid van Rimsky-Korsakov is ze terug in Berlijn, waar ze nog altijd een woning aanhoudt.

Door de telefoon klinkt haar heldere schaterlach als ze in soepel Duits vertelt hoe haar carrière er van de grond kwam. 'Duizenden keren heb ik voorgezongen - voor dirigenten, zaaleigenaren, impresario's, noem maar op. In januari 2005 kreeg ik mijn eerste rol in een Rossiniopera: L'occassione fa il ladro, of liever gezegd Gelegenheit macht Diebe, want we zongen de Duitse vertaling. Dat was in Saalbau Neukölln, een piepklein theatertje, maar een van de bezoekers vertelde erover aan de organisator van een Meyerbeerproject. Die zocht juist op dat moment een sopraan. Ik mocht hem een paar opnamen sturen en werd uitgenodigd.'

Die prille ervaring is nog altijd te beluisteren: cd-maatschappij Naxos legde de uitvoering van Meyerbeers Semiramide vast op cd.

Prettige bijkomstigheid: bij de voorstelling was Rossinispecialist Alberto Zedda aanwezig. Hij nodigde Peretjatko terstond uit om les te nemen aan zijn Accademia Rossiniana, broedplaats voor aanstormend operatalent in het Italiaanse Pesaro. Het verblijf daar heeft haar veel opgeleverd. Ze is er getrouwd met de dirigent Michele Mariotti, zoon van de intendant van het Rossinifestival en een even snel rijzende ster als zijzelf. De invloed van de Accademia is nog goed te horen: de gein van het coloratuurzingen, de snelle opeenvolging van salto mortales waar Rossini geliefd en berucht om werd, heeft Peretjatko tot een Italiaans hoog niveau gecultiveerd.

In Nederland kunnen we daarvan getuigen. Al vroeg in haar carrière viel ze op bij stemmenspeurders van de Nederlandse Opera en de ZaterdagMatinee. Haar rollen in Le rossignol, Il Turco in Italia en La scala di seta leverden haar duizenden nieuwe fans op.

'De reacties op mijn optredens in Amsterdam zijn onvergetelijk, maar daarnaast heb ik er ook andere mooie ervaringen opgedaan. Een Rossini-opera is natuurlijk altijd een succes, maar ze durven het daar ook aan om Kitesj, van Rimsky-Korsakov, op het programma te zetten. Ik zat in de zaal en heb de hele avond gehuild. Als Russische begrijp je zijn symbolen meteen, maar het was zo ontroerend te zien dat mensen die niet Russisch spreken ze ook konden plaatsen.'

Haar lerares in Berlijn ziet ze nog geregeld, maar sinds kort neemt ze ook lessen bij de Italiaanse sopraan Mariella Devia. 'Mariella is mijn grote voorbeeld. Op haar 65ste zingt ze nog als een engel. Ze heeft een ongelooflijke techniek en een eindeloze adem, precies wat ik me ook zou wensen.

'Als zanger moet je voortdurend bezig zijn met je techniek. Dat is de basis die ervoor zorgt dat een stem gezond blijft. Je lichaam verandert constant en je stem verandert mee. Daarom leg ik al mijn repetities en voorstellingen vast op een recorder. Thuis analyseer ik die opnamen.'

Voluit zingen doet ze alleen als het echt moet en als het enigszins kan werkt ze met sängerfreundliche dirigenten.

In Salzburg had ze het deze zomer getroffen. Marc Minkowski stond op de bok. Ze kent hem van Les musiciens du Louvre uit Parijs, waar ze vier jaar geleden Susanna zong in Mozarts Figaro. Nu stond er opnieuw een Mozartopera op het programma, Lucio Silla.

'Marc is een feest om mee te werken. Les musiciens du Louvre spelen op historische instrumenten die lager zijn gestemd. Dat maakt het voor een sopraan een stuk comfortabeler. En waarom zou je niet wat lager zingen? Uiteindelijk heeft het destijds ook zo geklonken. Als je dat vergelijkt met de Wiener - die stemmen hun instrumenten nog hoger dan de meeste andere moderne orkesten. De strijkers spelen natuurlijk geweldig, maar onze menselijke stem is nog altijd dezelfde als twintigduizend jaar geleden. Die hoge noten zingen is toch ook een soort energieverspilling', zegt de koningin van het klankfirmament.

In het Muziekgebouw aan 't IJ strooit ze zondag weer gul met topnoten in een programma met vogelliederen: leeuweriken, een koekoek en een zwaan in het Frans, Spaans en Russisch. En natuurlijk het 'Lied van de nachtegaal' uit Stravinsky's Le rossignol, de voorstelling waarmee ze zich als onbekende sopraan in één klap op de kaart zette.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 11 september 2013


De Russische sopraan Olga Peretjatko werd op 21 mei 1980 geboren in St. Petersburg. Ze begon haar muzikale carrière op haar 15de, in het kinderkoor van het Mariinsky Theater. Ze won de tweede prijs op Operalia, het wereldkampioenschap voor jonge operatalenten. Haar repertoire bestrijkt werk van Händel, Mozart, Wagner en Strauss.

donderdag 19 september 2013

De musici maken dreiging en verrukking in Wagners noten voelbaar

Wagner: Die Walküre. De Nederlandse Opera. Regie: Pierre Audi 

Met Christopher Ventris, Catherine Naglestad, Günther Groissböck, Thomas Johannes Mayer, Catherine Foster, Doris Soffel, Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Amsterdam, Muziektheater, 20/4. T/m 12/5

Het blijft indrukwekkend: de tegenstelling tussen de mythische dimensies van het decor en de fysieke nabijheid van goden, Walküren en mensen op het podium van het Amsterdamse Muziektheater. In Die Walküre, de meest erotische episode uit Der Ring des Nibelungen van Richard Wagner, steekt de halfronde catwalk waarop de zangers bewegen zo ver de zaal in dat de rimpeltjes van de oude godin Fricka te zien zijn, net als de huig van Sieglinde (een fenomenaal zingende Catherine Naglestad). Als zij in haar geliefde haar broer Siegmund herkent, mijmert ze op fluistersterkte: 'Ik heb je eerder gezien.' Ze komt zo dicht bij dat de zaal van het Muziektheater lijkt te slinken tot huiskamerformaat.



In de oksel van de halve cirkel speelt het Nederlands Philharmonisch Orkest, de hele avond zichtbaar voor het publiek. Akoestisch is dat verre van ideaal. De klanken van de zes harpen, de pauken, de hoorns komen afzonderlijk de zaal in, onvermengd met de andere instrumenten op het podium. Toch lukt het de musici dreiging en verrukking, strijdlust en gelatenheid in Wagners noten voelbaar te maken.

De visie van dirigent Hartmut Haenchen heeft zich de afgelopen jaren op een interessante manier ontwikkeld. In zijn nieuwe interpretatie legt hij de nadruk op de menselijkheid van de goden en halfgoden. Hij overspoelt je niet met Wagners grote gemoedsgolven maar legt het gewoel op sommige momenten stil. Een enkele keer verbrokkelen daardoor de wervelende onderstromen, maar vaker geeft hij de zangers én het publiek ruimte om de enerverende noten te verwerken. Dan hebben die rustmomenten een weldadig effect - niet alleen voor het publiek, zeker ook voor de zangers.

Zo'n moment is er als de godin Fricka (Doris Soffel) zich wil wreken op haar overspelige echtgenoot Wotan. Dan kolkt het op het podium, maar direct nadat ze is vertrokken, laat de oppergod zijn kwetsbaarheid zien. De bariton Thomas Johannes Mayer, die als Wotan niet uitblinkt in gezaghebbende donderkracht, bloeit op als hij in die momenten van rust uitweidt over zijn motieven en over zijn liefde voor zijn mensenzoon Siegmund.

Dat doet hij in een dialoog met zijn dochter Brünnhilde (Catherine Foster). Ook zij ontwikkelt zich na haar Hojotoho jubelende entree tot een bespiegelende, warmvoelende vrouw. Fosters buitengewoon krachtig ontwikkelde hoogte heeft haar een contract in het Wagnerwalhalla Bayreuth opgeleverd. Zangtechnisch blijft haar lage register daarbij achter, juist in de minder flamboyante gedeelten ziet ze kans haar Brünnhilde verdieping te geven.

De warmste noten zijn voor Christopher Ventris (Siegmund). Zijn stem kan flonkeren en verleiden maar hij moet kracht zetten om zijn lange, veeleisende monologen tot een goed einde te brengen. Daar heeft de bas Günther Groissböck geen last van. Als Hunding, de brute echtgenoot van Sieglinde, is hij vocaal oppermachtig.

Aan het einde van de avond, na vijf uur spanning en immense muzikale prestaties, breekt de aarde open. Uit een wolk van stoom schuiven kolossale plexiglasblokken het speelvlak op. Siegfried kondigt zich aan, de zoon van Siegmund en Sieglinde, naamgever van de aflevering van Der Ring des Nibelungen waarmee eind augustus de cyclus wordt vervolgd.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 22 april 2013

Versmeltende klanken, perfect getimede noten en een wijd open gezette volumeknop

Mendelssohn en Henze. Genia Kühmeier, Bernarda Fink, Michael Schade, Groot Omroepkoor, Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Amsterdam, Concertgebouw, 17/4 Herhalingen: 19/4, 21/4
'Heerlijk om met hem te werken. Het is licht, sprankelend, verfrissend en dirigeertechnisch heel duidelijk, dus makkelijk spelen', meldt een van de musici als de deuren van het Concertgebouw dichtvallen. Het eerste concert van Riccardo Chailly met het Concertgebouworkest sinds hij daar als chef-dirigent vertrok, is achter de rug. Na negen jaar is de vervelende sfeer rond zijn afscheid verdampt. Een groot gedeelte van het orkest is jong en werkt voor het eerst met de man die er zestien jaar lang aan het roer stond en het orkest vertrouwd maakte met 20ste-eeuwse componisten als Varèse, Berio en Sciarrino. 

Voormalige chef Riccardo Chailly was voor het eerst terug bij het Concertgebouworkest

Ook bij zijn terugkeer maakt hij het zich niet gemakkelijk. Hij kiest voor louter werken die hij niet eerder met het Concertgebouworkest heeft uitgevoerd: Elogium Musicum van Hans Werner Henze (1926-2012) - een première voor Nederland - en Felix Mendelssohns Tweede symfonie Lobgesang, waarmee hij na zijn vertrek uit Amsterdam zijn chef-dirigentschap van het Gewandhausorchester in de Mendelssohnstad Leipzig inluidde. 

Het is een compositie die als orkestwerk begint, met stoere trombones en een klarinetsolo die de sfeer zeldzaam mooi liet omslaan naar een verstilde zangerigheid. Maar Chailly is ook de man van het uitvergrote fortissimo, waarbij de volumeknoppen wijd open gaan. Als na het instrumentale openingsdeel het Groot Omroepkoor inzet met Alles was Odem hat, lobe den Herrn klinkt dat eerder als een dreigement dan als lofzang. Pas in de fijn gedoseerde sopraansolo van Genia Kühmeier, in de tenoraria van Michael Schade en in het duet van Kühmeier en mezzosopraan Bernarda Fink hoor je Chailly's liefde voor de stem terug. 

Elogium Musicum gaat over snelle, sterke haviken die elkaar door de dood verliezen. Er komen gieren voorbij, kraaien en cicaden. Pas aan het slot komt er troost en verzoening. Hans Werner Henze schreef het vlak na de dood van zijn geliefde en gaf het felgekleurde noten mee, van een koor dat wild dissonerend uitwaaiert maar even later kan samenvloeien in één serene toon. Het orkest breidde hij uit met piano, celesta, saxofoon en een fikse groep slagwerkers. Naast de versmeltende klanken van de strijkers liet Chailly voor zijn slagwerkers de hardste stokken aanrukken. Ze leverden perfect getimede noten maar ook striemende kou die afleidde van de introverte kracht van de compositie. 

Het concert werd opgedragen aan de Britse dirigent Sir Colin Davis, die het afgelopen weekeinde overleed. 

Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 19 april 2013

Emmanuel Pahud hinkstapt geraffineerd door fluitconcert van een honderdjarige

Carter, Mozart, Schubert, Honegger. Emmanuel Pahud, Radio Kamerfilharmonie o.l.v. Michael Schønwandt. Amsterdam, Concertgebouw, 6/4.
Op een doordeweekse dag kun je Emmanuel Pahud (Genève, 1970) gewoon aantreffen in de houtblazersgroep van de Berliner Philharmoniker. Nauwelijks minder vaak staat de fluitist voor op het podium: bij de London Philharmonic, bij het Symfonieorkest van de Beierse Omroep, bij het orkest van het Mariinski Theater. Die twee kanten, het versmelten in de groep en het fiere solospel, sijpelden door in zijn optreden in de ZaterdagMatinee.

Emmanuel Pahud

Zo hoorde je hem in de Nederlandse première van het Fluitconcert van Elliott Carter geraffineerde hink-stap-sprongen maken van het hoogste naar het laagste register, maar kon hij zich ook terugtrekken in een onderonsje met zijn collega-fluitisten van de Radio Kamerfilharmonie. Carters Fluitconcert is een werk dat met de deur in huis valt. In het felle eerste akkoord lijkt hij alle tonen van zijn compositie te willen vatten, maar onmiddellijk neemt hij terug. Een harp en houten slagwerkinstrumenten laten de sfeer omslaan naar een breekbaarheid die vaker terugkomt in het stuk. 

Carter schreef zijn concert in 2008, hij werd toen 100, maar de frivole kleurspatten van de piano en de zacht brommende fagot onder de fluisterende koperblazers verraden een jonge, lenige geest. In de compositie gebeurt van alles tegelijk. Korte trompettonen gaan in de ene richting terwijl de houtblazers met een langgerekte zanglijn een andere afslag nemen. De solofluit vlindert ertussendoor en speelt een schitterend duet met de piccolo in het orkest. Carter houdt zijn gelaagde stelsel van klanken transparant zodat in de meest complexe samenklanken ruimte is voor iedereen. 

Tegenover de oude Carter zette Pahud het Fluitconcert KV 314 van een jonge Mozart. Met de alert spelende musici van de Radio Kamerfilharmonie dempte hij de klank van zijn instrument zodat het leek alsof hij door een gaasje blies. Verderop, in het vuur van de cadens, koos hij een zo spectaculair hoog tempo dat het leek of er twee stemmen tegelijk klonken. 

Chef-dirigent Michael Schønwandt combineerde de fluitconcerten met een tintelend lichte uitvoering van Schuberts jonge Derde symfonie en de Tweede symfonie van de Zwitser Arthur Honegger (1892-1955), een somber werk uit de Tweede Wereldoorlog dat met karige motieven door en door ploegt. Zelfs als de trompet zich bij de strijkers voegt, komt er nauwelijks een dimensie bij. Zo stond je na een geweldig geïnspireerd concert toch buiten met een zwaar gevoel in je maag.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 9 april 2013

Ingo Metzmacher gaat tot het uiterste in kracht, timing en nuances

Bruckner, Hartmann. Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher. Amsterdam, Concertgebouw, 30/3.
De muziek van Karl Amadeus Hartmann (1905-1963) is niet voor watjes. Vier maanden geleden verbleekte het publiek van de ZaterdagMatinee toen ze de heren van het Groot Omroepkoor het Florian-Geyer Lied hoorden schallen. Jaren nadat Hartmann het had gebruikt in zijn anti-oorlogsopera Simplicius Simplicissimus werd het het lijflied van de SS. Ook in minder plastische composities slingert hij je van koudwaterbad naar tropische jacuzzi en omgekeerd.

Hartmannspecialist Ingo Metzmacher

In zijn Achtste symfonie, zijn laatste, is het een schril schreeuwende klarinet die je haren recht overeind laat staan. Meteen daarna strijkt Hartmann je over de bol met een altvioolsolo die door de combinatie met houten slagwerkinstrumenten nog warmer klinkt. 

De wisselbaden komen terug, met drie fluiten als ultieme kouverstrekkers. Maar als alle extremen hun werk hebben gedaan, heb je het gevoel dat er nog iets anders is gebeurd. Je hebt kennis gemaakt met een klankwereld waarin elk motiefje, iedere stem in het orkest tot het uiterste is doorontwikkeld, net zolang tot de moleculen ervan zijn komen bovendrijven - onderdelen van een periodiek systeem van deeltjes die alleen in Hartmanns universum thuishoren. 

Het Radio Filharmonisch Orkest laat dit seizoen in de ZaterdagMatinee alle symfonieën van Hartmann voorbij komen. Deze Achtste vormt daarvan het groteske hoogtepunt. Met de dirigent Ingo Metzmacher hebben ze een specialist in huis. De voormalige chef van de Nederlandse Opera is een van de grootste verdedigers van Hartmanns oeuvre. 

Spannend was de combinatie met de Negende symfonie van Anton Bruckner. Ook hij zette, een kleine eeuw voor Hartmann, extreem verschillende klankblokken tegenover elkaar, met soms alleen een moment van stilte daar tussenin. De Negende is ook voor Bruckner zijn laatste symfonie. Hij stierf voordat hij het kon voltooien waardoor de compositie eindigt in trage, zachte klanken. 

Zeldzaam aangrijpend waren de momenten waarop de strijkers hun snaren tokkelen. Dan ging Metzmacher tot het uiterste - in kracht, in timing en in nuances. Maar in zwaardere passages liep hij te hard van stapel. Daardoor bleven er te vaak momenten over waarin de spanning in de compositie verder ging, maar het orkest zijn mogelijkheden al had opgebruikt. Bij Hartmann kon zulke felheid geen kwaad. Bij Bruckner haalde die de angel uit de compositie.
Biëlla Luttmer
de Volkskrant, 3 april 2013